Maatschappij & Gezondheidszorg

Angst als stuurmiddel

Hoe politiek, geneeskunde en de dierenzorgindustrie angst inzetten als instrument van controle en commercie

Stefan Veenstra, DVM

Juni 2026

We leven in een tijd waarin angst geen bijverschijnsel meer is, maar een structureel instrument. Politici winnen er verkiezingen mee. Farmaceutische bedrijven verkopen er producten mee. Ondernemers bouwen er businessmodellen op. En in de dierenzorg, een sector die draait op vertrouwen en nabijheid, doet hetzelfde mechanisme zijn intrede. Dit artikel gaat over de vraag die niet gesteld wordt: wie heeft er belang bij dat wij bang zijn?

01

Code rood, code oranje, code rood: deze maand als actuele illustratie

Terwijl dit artikel wordt geschreven, wisselt Nederland binnen twee weken af tussen code rood vanwege extreme hitte van 35 tot 40 graden en code oranje en rood vanwege onweer. Eind juni 2026 gaf het KNMI voor het eerst in zijn bestaan code rood af voor hitte, met het advies om alleen naar buiten te gaan als het echt noodzakelijk is. Scholen sloten, festivals werden afgelast, kantoren stuurden iedereen naar huis. Als het aan dit opeenvolgende stelsel van weerscodes had gelegen, hadden grote delen van de bevolking de afgelopen en komende weken eigenlijk helemaal niet hoeven te werken.

Dat is geen overdrijving van mijn kant. Het is letterlijk de strekking van de officiële adviezen: vermijd inspanning, blijf binnen, werk thuis, ga niet de weg op, ga ook niet het openbaar vervoer, tenzij het strikt noodzakelijk is. Voor kwetsbare groepen, ouderen, jonge kinderen, mensen met een chronische aandoening, is die voorzichtigheid terecht en belangrijk. Maar de adviezen golden niet alleen voor kwetsbare groepen. Ze golden voor iedereen.

En dan begint bij mij een hoop onmacht en irritatie te groeien. Blijkbaar moeten we elke dag met de hand meegenomen worden over hoe we moeten en mogen leven. Terwijl logisch nadenken door veel mensen niet meer schijnt te kunnen, heeft de angst en controle door deze angstcultuur een steeds grotere impact.

1976: dezelfde hitte, een andere samenleving

Een vergelijking met 1976 is hier verhelderend, niet om de risico’s van de huidige hitte te minimaliseren, maar om te begrijpen hoe drastisch onze collectieve respons op hitte is veranderd. De hittegolf van dat jaar duurde zeventien dagen, met tien tropische dagen op rij en een piektemperatuur van 34,9 graden in De Bilt, destijds een absoluut record.

1976 versus 2026

Er was in 1976 geen weeralarm, geen hitteplan, geen advies om binnen te blijven. Mensen lagen op overvolle stranden, de postbode reed zijn ronde, bouwvakkers werkten door, en de boeren vochten tegen de droogte zonder dat iemand sprak van maatschappelijke ontwrichting. Het leven ging, met zuchten en klagen door de hitte, want ook toen was het heet, gewoon door.

Nu is de gemiddelde Nederlandse zomer ongeveer twee graden warmer, en is de kans op zulke extreme temperaturen wetenschappelijk aantoonbaar toegenomen. Maar de toename in graden verklaart niet de volledige omvang van de huidige maatschappelijke respons, waarbij scholen preventief sluiten en een gezonde volwassene het advies krijgt niet naar buiten te gaan. Ondanks dat het in 1976 ongeveer even heet was en het leven gewoon doorging, stopt het nu.

Die vergelijking roept een ongemakkelijke vraag op: is de drempel waarbij we onszelf als samenleving “in gevaar” beschouwen, verschoven? Niet omdat de wetenschap dat eist, maar omdat onze collectieve risicotolerantie is afgenomen. Onderzoek naar risicoperceptie laat zien dat de manier waarop een samenleving een dreiging beoordeelt sterk wordt beïnvloed door eerdere ervaring, door vertrouwdheid met het risico, en door de mate waarin een bedreiging als beheersbaar wordt gepresenteerd. Een bevolking die voortdurend wordt blootgesteld aan waarschuwingen voor wat ooit normaal zomerweer heette, ontwikkelt een ander referentiekader voor wat als veilig geldt.

Wie wel doorwerkt, en waarom dat zelden in beeld komt

Tegelijk valt op dat niet iedereen wordt meegenomen in dat referentiekader. Verhuizers tillen op code-rooddagen onverminderd dozen de trap op. Koks staan naast hete fornuizen waar temperaturen van 60 graden makkelijk gehaald worden. Dakdekkers en bouwvakkers werken, weliswaar met aangepaste pauzes via het hitteprotocol van de sector, gewoon door. Pakketbezorgers rijden hun ronde. Voor deze groepen is fysieke arbeid in de hitte geen halszaak maar een praktische realiteit waarmee ze, vaak met gezond verstand en goede afspraken over water en pauzes, omgaan, en gelukkig zien zij dat ook als normaal.

Het is een interessante asymmetrie: voor wie moet werken, is hitte een logistiek probleem dat wordt opgelost met water, pauzes en een vroege starttijd. Voor wie de keuze heeft om binnen te blijven, wordt het een existentiële dreiging die rechtvaardigt dat de deur op slot blijft. Een werknemer mag inmiddels in sommige gevallen een airco eisen, en een winkel kan vanwege hitte de deuren sluiten. Dat zijn op zichzelf begrijpelijke maatregelen vanuit arbeidsbescherming. Maar de toon waarin ze worden besproken, alsof gewoon leven en werken bij 30 graden levensgevaarlijk is geworden en dwang tot zelfbescherming rechtvaardigt, is een wezenlijk andere houding dan een paar jaar geleden.

Dat is niet bedoeld als verwijt aan wie de waarschuwingen volgt, of als relativering van de reële risico’s voor kwetsbare groepen. Het is een observatie over de asymmetrische manier waarop angstcommunicatie zich verspreidt: vooral via de kanalen, sociale media, nieuwsmedia en overheidscommunicatie, die zich richten op de bevolkingsgroep die de keuze heeft om binnen te blijven. Wie die keuze niet heeft, ervaart de hitte zonder dat er evenveel media-aandacht is voor hoe die groep er wél doorheen komt. En precies die vraag, waar stopt dit, is de vraag die de rest van dit artikel probeert te beantwoorden, niet alleen voor hitte, maar voor een veel breder patroon in onze samenleving.

Een groeiende kloof: meegaan of tegensputteren

Er is nog een effect van deze ontwikkeling dat weinig aandacht krijgt, maar dat misschien wel het meest verontrustend is. Naarmate angstcommunicatie intensiever en alomtegenwoordiger wordt, groeit de groep mensen die daarin meegaat: die de adviezen volgt, de waarschuwingen serieus neemt, en zich aanpast aan elke nieuwe richtlijn. Maar evenredig daarmee groeit een tegenovergestelde groep, die de voortdurende stroom van waarschuwingen, verboden en goedbedoelde bemoeizucht steeds vaker ervaart als betutteling van een maatschappij die burgers niet meer in staat acht om voor zichzelf te denken.

Dat is geen onschuldige verdeling van meningen. Het is een breuklijn die dwars door vriendengroepen, families en werkvloeren loopt. De ene helft verwijt de andere onverantwoordelijkheid en risico’s nemen over de hoofden van kwetsbaren heen. De andere helft verwijt de eerste groep angst, kritiekloosheid en het zich willoos laten leiden door instituties die zelf belang hebben bij die angst. Beide kanten hebben een deel van het verhaal, en precies daarin schuilt het probleem: zodra een maatschappelijk vraagstuk wordt platgeslagen tot een morele tegenstelling tussen “verantwoordelijk” en “onverantwoordelijk”, verdwijnt de ruimte voor het soort genuanceerd gesprek dat een complex risico, of dat nu hitte, een virus of een vaccinatieschema is, eigenlijk verdient.

Een samenleving die voortdurend kiest tussen volgzaamheid en verzet, in plaats van tussen verschillende goed onderbouwde afwegingen, verliest iets essentieels: het vermogen om met elkaar in gesprek te blijven over wat een redelijke voorzorg is en wat overdreven controle. Die polarisatie is zelf een directe kostenpost van de angstcultuur, naast de psychologische en financiële kosten die in dit artikel verder worden besproken.

Het effect voedt zichzelf. Hoe feller de ene groep zich verzet tegen wat zij betutteling noemt, hoe sterker instituties en media geneigd zijn de boodschap te herhalen en te versterken, uit angst dat de boodschap anders niet doorkomt. En hoe nadrukkelijker die boodschap wordt herhaald, hoe groter de irritatie bij de groep die zich al onderschat voelde. Het resultaat is een maatschappij die niet meer samen een risico beoordeelt, maar uiteenvalt in twee kampen die langs elkaar heen praten, terwijl de oorspronkelijke vraag, hoe gaan we hier verstandig mee om, onbeantwoord blijft liggen.

02

De angstcultuur als sociaal mechanisme

Socioloog Barry Glassner beschreef in zijn invloedrijke werk The Culture of Fear (1999, herzien 2018) een paradox die sindsdien alleen maar scherper is geworden: onze subjectieve beleving van gevaar neemt toe, terwijl objectieve risicocijfers in veel categorieën juist dalen of stabiel blijven. Glassner identificeert de factoren die hiervan profiteren: politici die stemmen oogsten via veiligheidspaniek, media die kijkcijfers bouwen op wekelijkse dreigingscycli, belangengroepen die fondsen werven door de prevalentie van bepaalde aandoeningen systematisch te overdrijven, tientallen bedrijven die kant en klare noodpakketten aanbieden. Maar ook in de veterinaire wereld speelt dit. Zoetis, het grootste farmaceutische bedrijf, heeft in zijn meest verkochte wereldwijde medicijnen 2 insecticiden in de top 3 zitten.

Angst werkt als sociaal controlemechanisme omdat het de aandacht van structurele vraagstukken afleidt en individuen in een reactieve houding duwt. Wie bang is, zoekt bescherming. En wie bescherming biedt, bepaalt de prijs.

“Het is niet het feitelijke gevaar dat toeneemt, maar onze perceptie ervan. En die perceptie wordt actief gecultiveerd door partijen die er commercieel of politiek voordeel bij hebben.”
Barry Glassner, The Culture of Fear (2018)

De neurobiologische basis van dit mechanisme is inmiddels goed gedocumenteerd. Angst activeert de amygdala en triggert een kettingreactie in de HPA-as (hypothalamus-hypofyse-bijnierschors), die het lichaam in een staat van verhoogde alertheid brengt. In deze toestand wordt kritisch denken onderdrukt ten gunste van snelle, overlevingsgerichte besluitvorming. Voor marketeers en politici is dat een ideale mentale toestand van de consument of kiezer: reactief, vatbaar voor eenvoudige oplossingen, en weinig geneigd tot nuancering. Ook hierin weer een voorbeeld van insecticiden tegen teken. Veel mensen zijn zich steeds meer bewust van de schadelijke effecten en gaan mee in natuurlijke oplossingen. Zodra er 1 teek op hun dier zit spoeden ze zich direct naar de dierenwinkel of arts voor het insecticide waarin op dat moment het meest mee wordt geadverteerd, die van Zoetis.

03

COVID-19: angst als beleidsinstrument

Misschien wel het grootste voorbeeld van een angstbeleid, maar ook van de kloof tussen twee groepen mensen. Deze kloof tussen gevaccineerden en ongevaccineerden heeft families en vriendengroepen beschadigd. Algemene meningen en vooroordelen, gepolariseerd door angst, bleken krachtiger dan hun eigen mening en wijsheid. Er komen nog steeds patiënten bij mij op consult die heel zacht, nog steeds met angst voor veroordeling, opbiechten dat ze nooit gevaccineerd zijn geweest en dat zelfs hun beste vrienden dat nog niet weten. Angst voor een maatschappelijk oordeel.

De COVID-19-pandemie bracht een tot dan toe ongekend openbare toepassing van angstmessaging aan het licht. In het Verenigd Koninkrijk adviseerde de SPI-B (Scientific Pandemic Insights Group on Behaviours), een subgroep van de wetenschappelijke adviesraad SAGE, de overheid in maart 2020 expliciet om het persoonlijke dreiggevoel onder de bevolking te verhogen via “hard-hitting emotional messaging”. De onderbouwing: een deel van de bevolking zou de ernst van de situatie onderschatten.

De gevolgen van dit beleid werden later uitvoerig geanalyseerd. Een onderzoek gepubliceerd in Clinical Psychology & Psychotherapy (Dodsworth, 2024) documenteerde dat de Britse bevolking de overlijdensrisico’s structureel overschatte: een enquête uit juli 2020 liet zien dat Britten dachten dat 6 tot 7 procent van de bevolking aan COVID-19 was gestorven, terwijl het werkelijke cijfer op dat moment circa honderd keer lager lag.

Psychologische schade: Het niveau van matige tot ernstige psychische stress in het VK was na de pandemie driemaal hoger dan daarvoor. Onderzoek toonde aan dat 47% van de bevolking hierdoor werd getroffen. Bij jongeren werd een sterke toename van angststoornissen, depressie en suicidale gedachten geregistreerd.

Bron: APPG Pandemic Response and Recovery, 2022; Dodsworth, Clin Psychol Psychother, 2024

De ironie is niet gering: een maatregel die bedoeld was om gezondheidsgedrag te sturen, veroorzaakte aantoonbare schade aan de geestelijke gezondheid van de bevolking. Wat dit illustreert is niet dat overheden bewust kwaadaardig handelden, maar dat angst als sturingsmiddel structurele risico’s met zich meebrengt die zelden worden meegewogen in het beleidsafwegingsproces.

Op dit moment worden in meerdere landen, waaronder Nederland en het VK, parlementaire commissies gevormd die de COVID-communicatiestrategie nader onderzoeken. Ben benieuwd of ook dit stukje mee wordt genomen…

Social media: het angstversterkende ecosysteem

Sociale media versterken angstmechanismen via een specifieke architectuur: algoritmen optimaliseren voor betrokkenheid, en angst, woede en verontwaardiging genereren aantoonbaar meer betrokkenheid dan nuance of geruststelling. Een post met de boodschap “dit is levensgevaarlijk” bereikt structureel meer mensen dan een post met de boodschap “de kans hierop is klein”. Dit is geen bijproduct van het systeem. Het is het systeem.

In de diergeneeskundige context zien we dit dagelijks terug. Berichten over tekenbeten die direct leiden tot ernstige, niet te behandelen ziekte, of één positief geval van hondenziekte (canine distemper) dat het idee geeft dat alle honden direct gevaar lopen, of het beeld van extreem hoge dierenartskosten: uiteindelijk maakt iedereen gebruik van deze angsten, waarbij er vaak geen ruimte is voor perspectief. De werkelijke incidentiecijfers voor aandoeningen als de ziekte van Lyme bij honden in Nederland, of voor ernstige bijwerkingen van geregistreerde antiparasitica, worden zelden vermeld. We komen hier later in dit artikel uitgebreid op terug.

04

De nieuwe schijf van vijf: gezondheid als politiek instrument

Klimaatverandering is een terrein waarop wetenschappelijke consensus en publieke communicatie soms ver uiteen lopen. De basiswetenschap is helder: de gemiddelde mondiale temperatuur stijgt, de bijdrage van broeikasgassen door menselijke activiteit is aantoonbaar en de bredere ecologische gevolgen zijn reëel. Dat staat niet ter discussie. Wat wel ter discussie staat, is de vertaalslag van die wetenschappelijke kennis naar publieke communicatie en beleid, en juist daar doet het angstmechanisme zijn werk.

Een illustratief voorbeeld is de herziening van de Schijf van Vijf door het Voedingscentrum in april 2026. Voor het eerst werden klimaat en duurzaamheid expliciet geïntegreerd in een voedingsadvies dat primair bedoeld was als gezondheidsrichtlijn. De vleesconsumptieaanbeveling werd verlaagd van 500 naar 300 gram per week, met nadrukkelijke promotie van plantaardige eiwitbronnen.

De kritiek vanuit meerdere kanten was inhoudelijk: een voedingsadvies is een gezondheidsadvies. Het integreren van klimaatdoelstellingen in een richtlijn die autoriteit ontleent aan haar medische onafhankelijkheid, vervaagt de grens tussen wetenschappelijke voorlichting en beleidssturing. LTO Noord formuleerde het zo: het voedingsadvies gaat niet meer alleen over gezondheid, maar ook over politieke keuzes, en dat is een ander domein.

Politiek debat: Tijdens het debat in de Tweede Kamer (april 2026) stelde een Kamerlid van de Groep Markuszower dat het Voedingscentrum via de nieuwe richtlijn mensen een schuldgevoel aanpraat met belastinggeld. Anderen wezen erop dat dierlijke eiwitten, met hun volledige aminozuurprofiel en hoge biologische beschikbaarheid van B12, ijzer en zink, niet zonder meer vervangbaar zijn door plantaardige alternatieven zonder zorgvuldige voedingskundige begeleiding.

Bron: Nieuwe Oogst / Tweede Kamer debat april 2026; Groentennieuws april 2026

Het patroon is herkenbaar: een reëel maatschappelijk vraagstuk, in dit geval de milieubelasting van de voedselproductie, wordt vertaald naar een individuele gedragsrichtlijn die gedragen wordt door de autoriteit van een gezondheidsinstelling. De angst, voor ziekte, voor klimaatschade, voor het niet-goede-ouder-zijn, wordt ingezet als motivator voor gedragsverandering. De vraag naar het bewijs voor de specifieke causaliteit die het advies rechtvaardigt, blijft onderbelicht. Het is hetzelfde mechanisme dat we ook bij de hitte zagen: een reëel onderliggend signaal dat wordt vertaald naar een gedragsnorm die verder gaat dan de wetenschap strikt rechtvaardigt.

05

Het noodpakket: niet of, maar wanneer

Een recent en bijzonder helder voorbeeld van geïnstitutionaliseerde angstcommunicatie is de overheidscampagne “Denk Vooruit”. Eind 2025 ontvingen 8,5 miljoen Nederlandse huishoudens een informatieboekje met de titel “Bereid je voor op een noodsituatie”, gevolgd door televisie-, radio- en onlinecampagnes en duizenden posters in bushokjes. De boodschap: stel een noodpakket samen waarmee u 72 uur zelfstandig kunt overbruggen, want bij een grootschalige crisis zijn hulpdiensten de eerste dagen niet overal beschikbaar.

De onderliggende dreigingen die in de campagne worden genoemd, zijn niet hypothetisch. Een langdurige stroomstoring, zoals die in 2025 in Spanje en Portugal plaatsvond, is een reëel scenario. Sabotage van vitale infrastructuur, cyberaanvallen en geopolitieke instabiliteit zijn onderwerpen die serieuze aandacht verdienen. Voorbereiding op zichzelf is geen onverstandig advies.

Maar de toon van de communicatie is veelzeggend. Het gaat niet om de vraag of een noodsituatie zich voordoet, zo wordt benadrukt, maar om wanneer. Watertekorten, voedselschaarste, uitval van betalingsverkeer en internet, en in de bredere maatschappelijke context ook oorlogsdreiging, worden gepresenteerd als reëel en aanstaand, zonder dat een concrete termijn of een onderbouwde waarschijnlijkheid wordt genoemd. Dat is een retorische verschuiving die in dit artikel al vaker is benoemd: van een afgewogen risico-inschatting naar een onafwendbaar geachte toekomst.

Wat de minister zelf zegt

Minister Van Weel (Justitie en Veiligheid) reageerde in april 2026 expliciet op kritiek dat de campagne te veel op angst zou inzetten: “Het gaat niet om angst, maar om voorbereiding op bijvoorbeeld stroomuitval of een cyberaanval.” Tegelijk gaf hij aan dat een kritische massa nodig is om de campagne effectief te laten zijn, en dat een groep die de boodschap “overdreven of onnodig” vindt vooralsnog een minderheid is, maar dat de communicatie wordt aangepast als die groep groeit.

Die uitspraak is op zichzelf een illustratie van het mechanisme: de boodschap wordt afgemeten aan hoeveel weerstand ze oproept, niet primair aan de onderliggende risico-inschatting.

De cijfers van de campagne worden door de overheid zelf gepresenteerd als succes: het aandeel Nederlanders met een noodpakket steeg van 30 naar 44 procent. Maar uit hetzelfde onderzoek blijkt ook dat van de mensen die het informatieboekje lazen, 42 procent geen actie ondernam, en dat meer dan één op de tien het direct weggooide. Met andere woorden: ondanks een massamediale campagne via tv, radio, online kanalen en een fysiek boekje bij 8,5 miljoen huishoudens, koos een aanzienlijk deel van de bevolking er bewust voor om het advies niet op te volgen. Dat verdient een andere lezing dan “onvoldoende bereik”. Het kan ook duiden op een bevolking die zelf een afweging maakt over welk risico voor haar relevant is.

Wat hier ontbreekt, is precies het element dat in de wetenschappelijke literatuur over fear-appeal communicatie als cruciaal wordt aangemerkt: de boodschap dat wie geen noodpakket heeft, eigenlijk nalatig is, terwijl er nauwelijks ruimte is voor het gesprek over de werkelijke kans dat iemand in Nederland daadwerkelijk 72 uur zonder stroom, water of voedsel komt te zitten. Het Sociaal en Cultureel Planbureau wijst er bovendien op dat sociale verbondenheid, niet een doos met houdbaar voedsel, de werkelijke basis is van veerkracht in een crisis. Die nuance verdwijnt grotendeels in de campagnecommunicatie, die zich vooral richt op individuele zelfredzaamheid via aan te schaffen producten.

Een noodpakket samenstellen is op zichzelf een redelijke en goedkope vorm van voorzorg, vergelijkbaar met een brandblusser in de keuken. Het probleem is niet het advies. Het probleem is de framing eromheen: de suggestie dat wie er niet aan voldoet, onverantwoordelijk of naïef is, terwijl de werkelijke kans op de geschetste scenario’s, en de tijdshorizon waarop ze zich zouden voordoen, in de communicatie zelf onbenoemd blijft.

06

Dierenzorg en de economie van angst

De dierenzorgsector is, als verlengstuk van bredere gezondheidszorgstructuren, bijzonder gevoelig voor angstgedreven communicatie. Dierenhouders hebben een emotionele band met hun huisdier die vergelijkbaar is met ouderlijke betrokkenheid, en precies dat maakt hen kwetsbaar voor boodschappen die via het dreigkader worden aangeboden. De impliciete boodschap is telkens dezelfde: als u dit niet doet, bent u een slechte verzorger. Die boodschap is zelden uitgesproken, maar vrijwel altijd aanwezig.

Wat opvalt wanneer je de communicatie binnen de veterinaire sector als geheel bekijkt, is hoe consistent het patroon is. Of het nu gaat om antiparasitica, castratie, vaccinaties, bloedonderzoek of dierenverzekeringen: steeds opnieuw wordt het maximale dreigscenario gepresenteerd als de meest waarschijnlijke uitkomst, en steeds opnieuw is de aangeboden bescherming een protocol dat weinig ruimte laat voor individuele afweging.

Castratie en sterilisatie: het protocol als norm

Een van de meest illustratieve voorbeelden is de manier waarop castratie en sterilisatie worden gecommuniceerd. In de gangbare veterinaire praktijk is het advies om rond de leeftijd van zes maanden te castreren of te steriliseren zo ingeburgerd dat het voor de meeste eigenaren aanvoelt als vanzelfsprekende verantwoordelijkheid, en niet als een medische beslissing met voors en tegens.

De angstframe die hierachter schuilgaat is meervoudig. Ongewenste nesten. Loopsheid als gezondheidsprobleem. Baarmoederontsteking die kan optreden. Testikeltumoren. Gevechten in het park. Elk van die risico’s is reëel. Maar wat structureel ontbreekt in de communicatie is de andere kant van de afweging, en die andere kant is wetenschappelijk goed gedocumenteerd.

Wat de literatuur laat zien over vroege gonadectomie

Vroege castratie en sterilisatie bij honden zijn geassocieerd met een verhoogd risico op gewrichtsaandoeningen (heup- en elleboogdysplasie, craniale kruisbandruptuur), hormoongevoelige tumoren (hemangiosarcoom, osteosarcoom, bepaalde mastcelltumoren bij reu), hypothyreoïdie en gedragsveranderingen waaronder verhoogde angst en reactiviteit.

Hart et al. (2020) toonden in een grote rasspecifieke studie aan dat de risicoprofielen sterk verschillen per ras en per geslacht, en dat voor verschillende rassen het uitstellen of vermijden van gonadectomie gezondheidsvoordelen oplevert die de gangbare adviezen niet weerspiegelen.

Bron: Hart BL et al. Frontiers in Veterinary Science, 2020; Torres de la Riva G et al. PLOS ONE, 2013

De geslachtshormonen die worden weggenomen bij castratie en sterilisatie, testosteron, oestrogeen en progesteron, zijn niet uitsluitend voortplantingshormonen. Ze spelen een actieve rol in botgroei, spierontwikkeling, immunomodulatie, gewrichtsstabiliteit en hersenontwikkeling. Het verwijderen van die hormonale signalering op een leeftijd waarop de fysiologische ontwikkeling nog niet is afgerond, heeft systemische gevolgen die de beroepsgroep decennialang heeft onderschat.

Dat betekent niet dat castratie verkeerd is. Voor bepaalde dieren, in bepaalde situaties, is het de juiste keuze. Maar het betekent wel dat een protocol waarbij vrijwel elke eigenaar van een pup rond zes maanden naar huis gaat met het advies om te castreren, niet gebaseerd is op gepersonaliseerde risico-afweging. Het is een gestandaardiseerde aanbeveling die zijn kracht deels ontleent aan de sociale druk die eraan vastzit: wie niet castreeert, krijgt de boodschap mee dat hij de risico’s voor zijn rekening neemt.

Vaccinaties: het jaarlijkse protocol als ritueel

Een vergelijkbare dynamiek speelt bij vaccinaties. Vaccinaties zijn een van de meest impactvolle preventieve interventies in de veterinaire geneeskunde, en dat staat niet ter discussie. Maar de manier waarop vaccinatieschema’s in de praktijk worden gecommuniceerd en uitgevoerd, verdient wel degelijk reflectie.

De internationale veterinaire guidelines van de WSAVA (World Small Animal Veterinary Association) zijn hier helder over: kernvaccins (distemper, parvo, hepatitis) bieden bij de meeste honden bescherming voor een periode van gemiddeld 8 jaar na de basisreeks. Driejaarlijkse enten met kernvaccins is immunologisch niet nodig voor de meeste individuen. Titerbepaling, het meten van bestaande antilichaamtiters, is een valide en wetenschappelijk onderbouwde methode om de immunologische status te beoordelen vóór opnieuw te vaccineren.

De WSAVA Vaccination Guidelines (herzien 2022) stellen expliciet: “We do not advise annual revaccination with core vaccines.” En: “Serological testing (titre testing) is a valid alternative to revaccination in dogs and cats.”

Bron: WSAVA Vaccination Guidelines Group, 2022

In de Nederlandse praktijk is jaarlijkse vaccinatie echter voor de meeste honden nog altijd de norm, en wordt titerbepaling door een deel van de beroepsgroep als een alternatief voor “eigenaren die moeilijk doen” gepresenteerd, niet als een volwaardig wetenschappelijk onderbouwd instrument voor individuele risicobeoordeling. De eigenaar die vragen stelt over de frequentie van vaccinaties, ervaart regelmatig een sociaal oordeel: u stelt het welzijn van uw dier op het spel. Zeker nu er een geval van hondenziekte is opgedoken wordt deze angst weer aangewakkerd, terwijl de werkelijke kans dat een individuele hond er last van krijgt extreem klein blijft, naar schatting niet hoger dan 0,001 procent.

Daarbij wordt zelden besproken dat herhaalde vaccinatie ook immunologische en systemische effecten heeft die bij chronisch zieke of immuun-zwakke dieren nadelig kunnen uitpakken. Het principe “meer is beter” geldt niet in de immunologie, en de huidige wetenschappelijke inzichten ondersteunen een individueler, risicogebaseerd vaccinatiebeleid.

De teek en antiparasitica: gevaar als standaard

De communicatie rondom teken en antiparasitica volgt hetzelfde patroon. Teken kunnen vectorgebonden ziekten overdragen, waaronder Borrelia burgdorferi (de ziekte van Lyme) en Anaplasma phagocytophilum. Dat is een reëel gegeven. Maar de transmissiedrempel voor Borrelia ligt bij de meeste tekensoorten bij 24 tot 48 uur aanhechting. Vroege verwijdering biedt dus aanzienlijke bescherming, zonder medicamenteuze interventie. Die informatie is beschikbaar, maar is zelden de kern van de communicatie aan eigenaren.

Producten als Adtabs (lotilaner), NexGard (afoxolaner) en Bravecto (fluralaner) behoren tot de klasse van isoxazolinederivaten: systemisch werkende middelen die via de bloedbaan van het dier werken en parasieten doden op het moment van voeding. Ze zijn geregistreerd en effectief in hun indicatiegebied. Maar ze worden verkocht via een urgentieframe dat het seizoensgebonden en contextafhankelijke risico van de individuele hond niet meeneemt.

De reclamecampagne die u dagelijks hoort en ziet

Op dit moment is de Adtabs-campagne op vrijwel elk radiostation en op televisie te horen en te zien. De boodschap is helder en herhaalt zich talloze keren per dag: met name teken vormen een direct gevaar, en de oplossing is een maandelijkse tablet, zonder dat het seizoen, de leefomgeving van het dier, of het individuele risico ter sprake komen. Dat is precies hoe reclame werkt: kort, herhaald, en zonder ruimte voor nuance binnen een spot van twintig of dertig seconden.

Het probleem is niet dat de reclame bestaat. Het probleem is dat deze boodschap, door de herhaling op elk kanaal tegelijk, het enige referentiekader wordt waarmee een eigenaar het vlooien- en tekenrisico leert beoordelen. Er is geen radiospot die uitlegt dat een teek 24 tot 48 uur moet vastzitten voor overdracht van Borrelia, of dat een binnenkat een ander risicoprofiel heeft dan een jachthond. Wie zijn risicobeoordeling baseert op wat hij het vaakst hoort, leert vooral het frame van de adverteerder, niet de wetenschappelijke nuance.

Een hond die woont in een stedelijke omgeving, zelden in hoog gras of bosgebied loopt, en bij elke wandeling wordt gecontroleerd op teken, heeft een wezenlijk ander risicoprofiel dan een jachthond die dagelijks door bos en struikgewas werkt. Een maandelijks isoxazoline-protocol als standaardadvies voor beide dieren negeert die differentiatie volledig, en geen enkele reclamecampagne maakt dat onderscheid voor u.

Isoxazolinederivaten zijn neurotoxisch voor insecten en mijten via blokkering van GABA-gestuurde chloridekanalen. Bij zoogdieren is selectiviteit aangetoond op grond van receptorsubtype-specificiteit en bloed-hersenbarrièreontwikkeling. Maar dieren met MDR1/ABCB1-mutaties, zoals bepaalde Collie-verwante rassen, kunnen verhoogde permeabiliteit vertonen. Bovendien zijn er vanuit de praktijk meldingen van ernstige neurologische bijwerkingen, die in de reguliere communicatie naar eigenaren structureel onderbelicht blijven.

De eigenaar die hierover vragen stelt, of die ervoor kiest zijn dier niet maandelijks te behandelen bij laag individueel risico, ervaart te vaak het oordeel dat hij zijn dier blootstelt aan vermijdbaar gevaar. De andere kant van de afweging, de farmacologische belasting, de frequentie, de microbioomeffecten van chronische insecticidenblootstelling, wordt zelden met vergelijkbare urgentie gepresenteerd.

Dierenverzekeringen: schade normaliseren als verkoopargument

Campagnes van huisdierverzekeringen presenteren bedragen van 2.200 tot 5.000 euro niet als uitzonderlijke kosten in extreme situaties, maar als iets wat “zomaar kan gebeuren”. De impliciete boodschap is dat wie geen verzekering heeft, onverantwoord bezig is. Dat beeld wordt mede gevoed door de bredere maatschappelijke discussie dat de dierenarts schandalig duur zou zijn en met name door commerciële ketens zou worden gestuurd. Maar de kans dat een gemiddeld huisdier in zijn leven een dergelijke behandeling nodig heeft, wordt niet vermeld. Wat overblijft is een diffuus gevoel van dreiging dat de verzekering als de enige rationele respons positioneert.

Rauw vlees: bangmaken voor de concurrent van de zak brokken

Een laatste, en voor mijn eigen praktijk zeer herkenbaar voorbeeld, is de manier waarop rauwe voeding wordt besproken. De meeste mensen weten dat ik rauw vlees als voeding adviseer boven een brok, en dat ik merken als Hills en Royal Canin niet als de beste kwaliteit brok beschouw. Daarmee sta ik op dit punt lijnrecht tegenover de meeste van mijn collega’s.

“Rauw vlees bevat bacteriën en wormen.” “Rauw vlees is geen complete voeding als het niet zorgvuldig is samengesteld.” “Rauw vlees is dodelijk en extreem schadelijk voor uw dier.” Dit soort uitspraken komen nog regelmatig voor in de anamnese van nieuwe patiënten in de praktijk, vaak letterlijk zo verteld door een vorige dierenarts. En na deze bangmakerij wordt er vervolgens direct een zak Royal Canin in de handen van de eigenaar gedrukt.

Ook hier ontbreekt wetenschappelijke nuancering, en wordt de verkoop van een zak voer uit angst gedreven in plaats van uit een afgewogen voedingskundig advies. Wat daarbij vaak ook ontbreekt, is kennis van het belangenmodel achter het advies. Royal Canin is onderdeel van Mars Petcare, en Mars Petcare is via zijn dierenartsnetwerk Mars Veterinary Health ook eigenaar van AniCura, een van de grote dierenartsketens die in Nederland actief is. Diezelfde Mars-structuur bezit in de Verenigde Staten eveneens een aanzienlijk deel van de dierenartsklinieken via merken als Banfield en VCA. Een fabrikant die via dezelfde onderneming ook klinieken bezit, heeft per definitie een dubbel belang bij het advies dat in die kliniek wordt gegeven. Dat maakt het advies niet automatisch onjuist, maar het verdient wel dat de eigenaar dit weet wanneer een merknaam met zoveel stelligheid wordt aangeraden.

De slechte eigenaar als stuurinstrument

De rode draad door al deze voorbeelden is het morele frame: wie de protocollaire aanbevelingen niet volgt, is een slechte eigenaar. Dat frame is zelden uitgesproken, maar is structureel aanwezig in de toon van adviezen, in de reactie op vragen, en in de manier waarop eigenaren worden aangesproken die een andere keuze maken.

Dat is problematisch, niet alleen omdat het de autonomie van het baasje ondermijnt, maar ook omdat het de kwaliteit van de besluitvorming verlaagt. Een eigenaar die handelt vanuit angst voor het oordeel van de dierenarts, maakt andere keuzes dan een eigenaar die handelt vanuit geïnformeerde afweging van risico’s en belangen. De eerste keuze is beter voor het protocol. De tweede keuze is beter voor het dier.

Integratieve diergeneeskunde vertrekt vanuit een ander uitgangspunt: elke interventie verdient een afweging waarbij de gezondheidswinst wordt gewogen tegen de belasting voor het individu. Dat geldt voor chirurgie, voor medicatie, voor vaccinaties, voor voeding en voor diagnostiek. Het is geen afwijzing van de reguliere geneeskunde. Het is een uitnodiging tot precisiegeneeskunde.

De beroepsgroep heeft de verantwoordelijkheid om die afweging met eigenaren te maken, niet voor hen. Dat vraagt een andere houding dan het communiceren van protocollen: het vraagt het bespreken van kansen, van alternatieven, van de specifieke context van het individuele dier. Een klinisch gezond dier met een lage blootstellingskans heeft geen hetzelfde preventieprotocol nodig als een ziek dier met meerdere risicofactoren. De wetenschap ondersteunt dat onderscheid. De praktijk maakt het nog te zelden.

07

Wat de wetenschap zegt over angstcommunicatie

De literatuur over angstcommunicatie in de gezondheidszorg levert een genuanceerd beeld op dat de gangbare praktijk van het veld niet volledig ondersteunt.

Een invloedrijke meta-analyse van Witte en Allen (2000) liet zien dat sterke angstboodschappen effectief zijn in het vergroten van de waargenomen ernst en kwetsbaarheid, maar dat het effect op gedragsverandering sterk afhankelijk is van de gecombineerde boodschap over eigen effectiviteit. Wanneer een angstboodschap geen duidelijk handelingsperspectief biedt met realistische eigen controle, leidt dit niet tot gedragsverandering maar tot defensieve reacties: ontkenning, vermijding, of het zoeken naar de snelste beschikbare oplossing ongeacht of die daadwerkelijk passend is.

Een systematische review naar angstcommunicatie tijdens de COVID-19-pandemie (gepubliceerd in Heliyon, 2024) bevestigt dit patroon op grotere schaal: angstboodschappen verhoogden compliance in de acute fase, maar de langetermijneffecten op mentale gezondheid en maatschappelijk vertrouwen waren significant negatief, in het bijzonder bij kwetsbare populaties en jongeren.

Drie mechanismen van geïnstitutionaliseerde angst

1. Dreigvergroting — Het maximale schadebeeld wordt gepresenteerd als het meest waarschijnlijke. Kansen worden verward met gevolgen.

2. Urgentiecreatie — Onmiddellijk handelen wordt gepresenteerd als morele plicht. Uitstel of bezinning worden geframed als nalatigheid of onverantwoordelijkheid.

3. Oplossingsmonopolie — De aanbieder van de boodschap presenteert zichzelf als de enige beschermer. Alternatieve strategieën, eigen competentie of contextafhankelijke afweging verdwijnen uit het frame.

Dit patroon is herkenbaar in politieke communicatie, in farmareclame, in verzekeringscampagnes, in weerwaarschuwingen en in delen van de veterinaire branchepraktijk. Het is geen samenzwering. Het is de rationele uitkomst van systemen die zijn geoptimaliseerd voor korte-termijn gedragsconversie, niet voor langetermijn welzijn of geïnformeerde besluitvorming.

08

Wat dit vraagt van de dierenarts en de dierenhouder

Voor dierenartsen plaatst de angstcultuur een specifieke verantwoordelijkheid op tafel. De relatie tussen dierenarts en diereigenaar is gebaseerd op vertrouwen en is daarmee een van de weinige plaatsen in de keten waar angstgedreven communicatie actief tegenwicht kan worden geboden.

Dat betekent in de praktijk: werken vanuit werkelijke incidentie en prevalentie in de lokale context, niet vanuit maximale dreigscenario’s. Het betekent behandelopties bespreken inclusief het geen-interventie-scenario, en de afweging expliciet maken. Het betekent de dierenhouder ondersteunen in het vermogen tot zelfstandige beoordeling, in plaats van afhankelijkheid te creëren via angst voor het missen van een diagnose of het uitstellen van een behandeling.

Voor de diereigenaar zelf geldt een vergelijkbare uitnodiging: stel vragen. Wat is de kans dat dit probleem zich voordoet? Wat is de kans dat deze behandeling daadwerkelijk nodig is? Wat zijn de alternatieven? Welke belangen spelen een rol bij dit advies?

Dat zijn geen vijandige vragen. Het zijn de vragen van een geïnformeerde gesprekspartner. En een goede dierenarts beantwoordt ze graag.

Angst is een van de krachtigste biologische signalen die we kennen. In een acute dreiging is het functioneel. Maar een maatschappij die structureel in angst leeft, verliest het vermogen tot nuance, tot vertrouwen, en tot de afgewogen beslissingen die echte gezondheid, bij mens en dier, vereist.

09

Terug naar eigen redenering

De rode draad door alle voorbeelden in dit artikel is dezelfde: complexe werkelijkheid wordt gereduceerd tot een dreigframe, en dat frame wordt vervolgens ingezet om gedrag te sturen, stemmen te winnen, producten te verkopen of beleid te legitimeren. Of het nu gaat om een weersverwachting, een virus, een voedingsrichtlijn, een oproep tot 72 uur zelfredzaamheid of een tablet tegen vlooien, het patroon is hetzelfde. Dat is geen recent fenomeen. Maar de schaal, de snelheid en de architectuur waarmee het nu werkt, via sociale media-algoritmen die angst belonen, via nieuwsplatformen die inspelen op de angst, onzekerheid of nieuwsgierigheid van lezers om winst te maken, via instellingen die beleidsagenda’s inkleden als gezondheidsadvies, via reclamecampagnes die op elk kanaal tegelijk dezelfde boodschap herhalen, zijn ongekend.

De consequentie voor de individuele mens is niet niets. Chronische blootstelling aan angstboodschappen verhoogt het basisniveau van stressactivatie, verstoort slaap, vermindert cognitieve flexibiliteit en ondermijnt het vertrouwen in instituties en medemensen. En zoals eerder beschreven, ondermijnt het ook het vertrouwen tussen mensen onderling: de kloof tussen wie meegaat in de angst en wie zich daartegen verzet, groeit mee met de intensiteit van de boodschappen zelf. Het is een biologisch merkbaar effect en een sociaal merkbaar effect tegelijk, geen abstracte observatie.

Wat helpt: eigen logica als tegenwicht

Het antwoord op een angstcultuur is niet het ontkennen van risico. Reële gevaren bestaan, extreme hitte kan gevaarlijk zijn, onweer ook, klimaatverandering is meetbaar, parasieten dragen ziekten over, een dier kan kostbaar zijn. Het antwoord is het herstellen van proportionaliteit en het terugwinnen van het vermogen tot eigen beoordeling. Drink water en doe rustig aan als het warm is, en ga niet onder een boom staan bij onweer.

Dat vraagt een paar concrete gewoonten:

Vijf vragen die angstcommunicatie ontkrachten

1. Wat is de werkelijke kans dat dit mij of mijn dier overkomt? Niet het slechtste geval, maar de mediane verwachting in vergelijkbare omstandigheden.

2. Wie profiteert van mijn angst? Niet als complotvraag, maar als basisvraag over belangen en structuren.

3. Wat zegt de primaire literatuur, niet de samenvatting? Persberichten, reclamespots en sociale media zijn geen wetenschappelijke bronnen. Ze zijn interpretaties met een doel.

4. Wat zijn de alternatieven voor de aangeboden oplossing? Elke boodschap die slechts één uitweg biedt, verdient scepsis.

5. Klopt dit met wat ik zelf waarneem? Eigen observatie, logische redenering en gezond verstand zijn niet achterhaald door de informatiesamenleving. Ze zijn waardevoller dan ooit.

Nieuws is gemaakt om gelezen te worden, niet om u te informeren. Sociale media zijn gebouwd op sensatie en betrokkenheid, niet op waarheid. Weerwaarschuwingen beschermen terecht kwetsbare groepen, maar worden zelden genuanceerd naar wie wel en wie niet de keuze heeft om zich aan een risico te onttrekken. Voedingsadviezen zijn soms gezondheidswetenschap en soms beleidsagenda, of soms een verkoopargument met een wetenschappelijk jasje. Reclame verkoopt altijd een probleem vóór het een oplossing verkoopt, hoe vaker herhaald, hoe overtuigender het voelt. Dat zijn geen cynische uitspraken. Het zijn structurele observaties over hoe deze systemen zijn ontworpen en voor wie ze werken.

Terugkeren naar eigen inzicht betekent niet het negeren van expertise. Het betekent het actief beoordelen ervan. Niet elk expert is gelijk. Niet elk instituut is neutraal. Niet elke consensus is onomstreden. En niet elk gevaar dat groot wordt gepresenteerd, is groot. Het betekent ook elkaar de ruimte geven om tot een andere afweging te komen, zonder die ander meteen in het kamp van de naïeve volger of de onverantwoordelijke dwarsligger te plaatsen. Juist dat gesprek, met respect voor een ander, is wat onze samenleving nu het hardst nodig heeft.

Een gezonde samenleving, en een gezond individu, gedijt niet op angst maar op vertrouwen: in de eigen waarneming, in de eigen redenering, en in de bereidheid om vragen te stellen die niet altijd welkom zijn, en om die ruimte ook aan anderen te gunnen. Dat is geen luxe in een informatieverzadigde wereld. Het is een basisvaardigheid voor het navigeren van de werkelijkheid, of het nu gaat om een hittegolf, een virus, een vaccin of een tablet tegen teken.

Literatuur & bronnen

  1. KNMI. Liveblog hitte en code rood, 22-27 juni 2026. knmi.nl, juni 2026.
  2. KNMI. Een zomer om nooit te vergeten: 50 jaar na de hitte en droogte van 1976. knmi.nl, juni 2026.
  3. World Weather Attribution. Klimaatattributiestudie Europese hittegolf juni 2026, in samenwerking met KNMI.
  4. NOS. Werken in de brandende zon, mag dat wel? nos.nl, juni 2026. [FNV-standpunt over hitteprotocollen in cao’s.]
  5. Lahad M, Leykin D. Morale and perceived threats as predictors of psychological coping with distress in pandemic and armed conflict times. International Journal of Environmental Research and Public Health. 2021;18(16):8391.
  6. Kobau R et al. Risk perception of natural and human-made disasters: Cross-sectional study in eight countries in Europe and beyond. Frontiers in Psychology. 2022;13:8896349.
  7. Glassner B. The Culture of Fear: Why Americans Are Afraid of the Wrong Things. Herziene editie. New York: Basic Books; 2018.
  8. Witte K, Allen M. A meta-analysis of fear appeals: Implications for effective public health campaigns. Health Education & Behavior. 2000;27(5):591-615.
  9. Tannenbaum MB et al. Appealing to fear: A meta-analysis of fear appeal effectiveness and theories. Psychological Bulletin. 2015;141(6):1178-1204.
  10. Dodsworth L. The three Rs of fear messaging in a global pandemic: Recommendations, ramifications and remediation. Clinical Psychology & Psychotherapy. 2024;31(2):e2972.
  11. APPG Pandemic Response and Recovery. Evidence on Government use of fear to increase adherence to Covid restrictions. Londen; 2022.
  12. Olayemi KO et al. The use of fear appeals for pandemic compliance: A systematic review. Heliyon. 2024;10(6):e27321.
  13. SPI-B. Options for increasing adherence to social distancing measures. SAGE/DHSC; 22 maart 2020.
  14. Boerderij. Schijf van Vijf vernieuwd: minder vlees, meer nadruk op duurzaamheid. April 2026. [Includeert reactie LTO Noord, Dirk Bruins.]
  15. Nieuwe Oogst. Tweede Kamer botst met minister over Schijf van Vijf. April 2026.
  16. Groentennieuws. Grens tussen gezondheid en politiek vervaagt in nieuwe Schijf van Vijf. April 2026.
  17. Rijksoverheid.nl. Steeds meer Nederlanders bereiden zich voor op noodsituatie door Denk vooruit. April 2026.
  18. NCTV (Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid). Steeds meer Nederlanders bereiden zich door Denk vooruit voor op noodsituaties. April 2026.
  19. NOS. Heel Nederland aan het noodpakket? Zeker niet, blijkt uit onderzoek. April 2026.
  20. WNL. Meer mensen hebben noodpakket, maar helft Nederlanders nog niet voorbereid. April 2026. [Citaat minister Van Weel.]
  21. Apley MD. Tick-borne disease transmission and prevention: An evidence-based review for veterinary practice. Veterinary Clinics of North America: Small Animal Practice. 2019;49(6):1029-1046.
  22. Prichard RK et al. Isoxazoline compounds: Their efficacy and safety in companion animals. Parasites & Vectors. 2020;13:595.
  23. Mealey KL. Canine ABCB1 and macrocyclic lactone sensitivity. Journal of Veterinary Pharmacology and Therapeutics. 2006;29(3):163-170.
  24. Hart BL et al. Assisting decision-making on age of neutering for 35 breeds of dogs: Associated joint disorders, cancers, and urinary incontinence. Frontiers in Veterinary Science. 2020;7:388.
  25. Torres de la Riva G et al. Neutering dogs: Effects on joint disorders and cancers in golden retrievers. PLOS ONE. 2013;8(2):e55937.
  26. WSAVA Vaccination Guidelines Group. WSAVA Guidelines for the Vaccination of Dogs and Cats. Herzien 2022.
  27. Mars Petcare. Mars Petcare Completes Acquisition of AniCura. mars.com, persbericht.
  28. De Andere Krant. Huisdieren overgeleverd aan twee multinationals. [Achtergrond over marktconcentratie Anicura/Mars en Evidensia/Nestlé in de Nederlandse diergeneeskunde.]

Dit artikel vertegenwoordigt de persoonlijke professionele opinie van Stefan Veenstra DVM op basis van de beschikbare literatuur. Het bevat geen productaanbevelingen en vervangt geen individueel diergeneeskundig advies. Voor specifieke vragen over preventie en behandeling bij uw dier wordt een consult met een dierenarts aanbevolen.

Deze pagina delen op