Fokbeleid & Preventieve Geneeskunde

De fokker als eerste professional: microbioom, constitutie en socialisatie als basis voor levenslange gezondheid

Een wetenschappelijk-klinische analyse van de beslissingen die fokkers nemen vóór de geboorte van een pup, en hoe die beslissingen de gezondheid, het gedrag en de ziektelast van het dier voor de rest van zijn leven bepalen.

Stefan Veenstra DVM  |  Integratieve geneeskunde  |  2025

Samenvatting
De gezondheid van een rashond wordt in substantiële mate bepaald vóór zijn geboorte: door de voeding van zijn moeder, de stressstatus van zijn ouderdieren, de infectiehistorie van de reu en de socialisatieomgeving in de eerste levensweken. Dit artikel analyseert de wetenschappelijke basis achter maternale microbioomoverdracht, epigenetische constitutievorming en vroege neuroplasticiteit, en vertaalt deze naar concrete richtlijnen voor fokkers en begeleidende dierenartsen. Bijzondere aandacht gaat naar het onderscheid tussen dysbiose-gerelateerde chronische aandoeningen en intercurrente ziekten, en naar de rol van infectieuze triggers zoals Giardia duodenalis in het persisteren van microbioomdysbalans.
1 — Inleiding

De fokker als meest onderschatte schakel

In de klinische praktijk ontmoet ik dagelijks honden waarvan de gezondheidsproblemen niet verklaard worden door wat er na de geboorte is misgegaan. Ze zijn goed verzorgd, hebben medische zorg ontvangen en wonen in betrokken gezinnen. Toch kampen ze met chronische huidklachten, terugkerende darmproblematiek, gedragsproblemen die niet reageren op training, of een immuunsysteem dat structureel overreageert. De oorzaak ligt, in een groot deel van deze gevallen, in beslissingen die zijn genomen vóór deze dieren de wereld zagen.

Bij een eerste consult zijn eigenaren doorgaans lyrisch over hun fokker. Het was schoon, fokker was vriendelijk en betrokken. Er werden kritische vragen gesteld aan de nieuwe eigenaar en de juiste match tussen hond en nieuw baasje werd weloverwogen. De voeding was “het beste van het beste.” Maar de vragen die de nieuwe eigenaar aan de fokker stelde, waren vaak minder diepgravend, en de antwoorden werden zelden kritisch gewogen. In de eerste weken is er nog contact. Maar zodra een gedragsprobleem of gezondheidsprobleem opdoemt dat mogelijk terug te leiden is naar de fokperiode, volgt een patroon dat ik keer op keer herken: de fokker wast zich in onschuld. “Bij ons was de pup absoluut niet angstig.” Het contact verwatert snel, en de eigenaar staat er alleen voor.

De fokker heeft een ontzettend grote invloed op elk dier dat hij fokt. De keuzes die een fokker maakt over voeding, ouderdierenselectie, infectiemanagement en socialisatie leggen een fundament dat geen enkele therapeutische interventie later volledig kan compenseren. Dit is geen moreel oordeel. Fokkers werken doorgaans met de kennis die hen ter beschikking staat, en die kennis varieert enorm. Hiervoor bestaan nauwelijks gestandaardiseerde richtlijnen, ook niet voor honden met stamboom. Zelfs binnen rasverenigingen met officiële fokeisen zijn de praktijkverschillen tussen fokkers aanzienlijk.

Dit artikel is een pleidooi voor het structureel uitbreiden van die kennis: voor fokkers die verder willen kijken dan rasstandaarden en heupscore, voor dierenartsen die hun fokkerscliënteel willen begeleiden vanuit een preventief-integratief perspectief, en voor eigenaren die beter toegerust willen zijn om de juiste vragen te stellen vóórdat zij een pup meenemen naar huis. Het is geen pleidooi voor een specifiek voedingssysteem of supplementenprotocol, maar een wetenschappelijke analyse van de mechanismen die bepalen hoe gezond een hond begint aan zijn leven. En daarmee ook: hoe gezond een hond mag sterven in ouderdom.

Klinische observatie

Een significante proportie van de chronische patiënten die ik zie, heeft een voorgeschiedenis die begint bij de fokker: moeders op commercieel droogvoer gedurende meerdere generaties, weinig socialisatie in de eerste levensweken, en een reu waarvan de gezondheidsparameters buiten exterieur en HD-score niet zijn beoordeeld. Dit is geen uitzondering. Het is het patroon.

2 — Maternale Voeding

Maternale voeding en microbioomoverdracht: mechanismen en klinische implicaties

2.1 Het maternale microbioom als primaire bron

Het darmmicrobioom van een pasgeboren pup is niet blanco. Reeds in de baarmoeder vindt microbiële overdracht plaats via amnionvloeistof en meconium, hetgeen suggereert dat de maternale microbioomsamenstelling al voor de geboorte zijn weerslag heeft op de microbiële kolonisatie van de foetus.[1] Bij de geboorte krijgt de pup een hap ontlasting en vaginaal slijm binnen wat de microbioomsamenstelling identiek maakt met de moeder. Na de geboorte versnelt dit proces: via het likken van de moeder, via colostrum en moedermelk, en via directe omgevingscontacten ontvangt de pasgeboren pup zijn eerste bacteriepopulaties.

Moedermelk bij honden is geen steriele vloeistof. Ze bevat een eigen microbioom, bestaande uit Lactobacillus-, Bifidobacterium- en Staphylococcus-soorten die een directe koloniserende functie hebben in de neonatale darm.[2] De samenstelling van dit melkmicrobioom wordt mede bepaald door het darmmicrobioom van de moeder via de entero-mammaire route: bacteriën vanuit de darmen van de moeder migreren via dendritische cellen naar de melkklieren en worden zo aan de neonaat overgedragen.[3]

Wat een moederhond eet, bepaalt dus de samenstelling van haar darmmicrobioom, en dat microbioom is de primaire bron van de eerste kolonisatiegolf van haar pups. Dit is geen theoretisch verband: het is een mechanistisch aantoonbare keten.

2.2 Commercieel droogvoer en microbioomdiversiteit

Commercieel geëxtrudeerd droogvoer heeft een karakteristiek macronutriëntenprofiel: hoog in zetmeel (doorgaans 30–50%), beperkt in onbewerkt dierlijk eiwit, en vrijwel afwezig in fermenteerbare vezels uit onbewerkte plantaardige bronnen. Dit profiel is geen kwaliteitsoordeel over het merk, maar een structurele eigenschap van het extrusieproces, dat een minimumhoeveelheid zetmeel vereist voor binding en textuurvorming.

Het koolhydraatrijke substraat dat hierdoor de darm bereikt, selecteert voor andere bacteriepopulaties dan een proteïne- en vezelrijke voeding. Onderzoek gepubliceerd in 2017 toonde significant hogere alfadiversiteit (Shannon-index, observed OTUs, Chao1-richness) bij honden op een rauw vleesdieet vergeleken met honden op commercieel brokvoer.[4] De bètadiversiteitsanalyse (UniFrac) liet duidelijke clustering per voedingsgroep zien, met vrijwel geen overlap.

Op fylum-niveau zijn de meest relevante verschillen: lagere Fusobacteria- en Bacteroidetes-populaties bij honden op brokvoer, hogere Firmicutes-dominantie, en een verhoogde Proteobacteria-aanwezigheid, een phylum dat geassocieerd is met pro-inflammatoire activiteit en met dysbiose bij zowel mensen als honden.[5]

Klinische vertaling

Een moederhond die meerdere jaren op commercieel droogvoer heeft geleefd, heeft een darmmicrobioom dat structureel armer is in diversiteit dan biologisch optimaal. De pups die zij draagt en voedt, starten hun leven met dit arme microbioom als primaire kolonisatiebron. De implicaties voor immuunsysteemontwikkeling, darmbarrièreintegriteit en metabole programmering zijn substantieel en deels irreversibel.

2.3 Vroege microbioomontwikkeling bij de pup

Een longitudinale studie van Pistone et al. (2022) volgde de microbioomontwikkeling van honden van geboorte tot volwassenheid.[6] De bevindingen bevestigen dat leeftijd de sterkste voorspeller is van de hoeveelheid en variatie van het microbioom, maar dat het dieet van de moeder, de wijze van partus (vaginaal versus keizersnede) en vroege antibiotica-exposure significante secundaire determinanten zijn. Pups geboren via een keizersnee tonen een vertraging in de kolonisatie met Lactobacillus en Bifidobacterium van twee tot vier weken, vergeleken met vaginaal geboren nestgenoten.

Een tweede longitudinale studie, uitgevoerd bij Hongaarse Pumi’s (n=89, 456 fecesmonsters over 12 maanden), gebruikte long-read 16S rRNA sequencing en vond dat significante verschuivingen in microbioomsamenstelling al plaatsvinden in de eerste levensweken, voor de introductie van vast voedsel.[7] Dit onderstreept dat de maternale microbioomoverdracht via melk en direct contact de meest kritische kolonisatieperiode is, en dat interventies in deze fase meer effect hebben dan later.

2.4 Functionele consequenties van een arm startmicrobioom

De klinische relevantie van een beperkte microbioomstart reikt verder dan darmgezondheid alleen. Het vroege darmmicrobioom vervult drie kritische functies die de verdere gezondheid van het dier fundamenteel bepalen:

Immuunsysteem. De eerste bacteriepopulaties trainen het mucosale immuunsysteem in het onderscheid tussen pathogeen en commensaal, en tussen voedselantigeen en infectieus antigeen. Een arm of dysbioot startmicrobioom leidt tot onvoldoende training van regulerende T-cellen (Tregs), hetgeen de drempel voor allergische en auto-immune reacties verlaagt.[8]

Darmbarrièrevorming. Bacteriële metabolieten, met name butyraat geproduceerd door Firmicutes, zijn essentieel voor de expressie van tight junction-eiwitten (occludin, claudin-1, ZO-1) die de paracellulaire permeabiliteit van het darmepitheel reguleren. Butyraat fungeert als primaire energiebron voor darmcellen en moduleert NF-kB-gemedieerde ontstekingsreacties[9] Een microbioom, arm aan butyraat-producerende stammen resulteert in een structureel verhoogde darmpermeabiliteit.

Metabole programmering. Het vroege microbioom beïnvloedt de expressie van genen betrokken bij vetopslag, insulinegevoeligheid en energiemetabolisme via epigenetische mechanismen. Vroege dysbiose is geassocieerd met verhoogde adipogenese en verminderde insulinegevoeligheid op latere leeftijd, ook bij honden.[10]

3 — Multigenerationeel Herstel

Multigenerationeel herstel: wat de wetenschap zegt over herstelsnelheid

Een van de meest hardnekkige misverstanden in de discussie over voeding en microbioom is de opvatting dat een dieetswitch het microbioom volledig herstelt. Dit is deels correct: het darmmicrobioom van volwassen honden reageert aantoonbaar snel op dieetverandering, met significante verschuivingen in samenstelling binnen drie tot zeven dagen na dieetaanpassing.[11] Maar snelle aanpassing is niet hetzelfde als volledig herstel.

Het verschil zit in de distinctie tussen transiente en residente bacteriestammen. Transiente bacterien zijn bacteriestammen die via voeding worden aangeboden en tijdelijk aanwezig zijn zolang het substraat beschikbaar is. Residente bacterien zijn stammen die permanent gekoloniseerd zijn in de mucosa en het darmepitheel. Residente stammen worden in de eerste levensweken gevestigd via maternale overdracht, en zijn daarna moeilijk te vervangen, omdat ecologische niches al bezet zijn.

Wat dit betekent in de fokkerscontext: als een moederhond nooit bepaalde butyraatproducerende Firmicutes heeft gehad, omdat haar eigen moeder die ook niet had, zijn die stammen niet aanwezig om door te geven. Dieetverbetering bij de huidige generatie verbetert het substraat, maar creëert geen stammen uit het niets.

Multigenerationele dynamiek

Onderzoek bij muizen toont aan dat het volledig herstel van een via de moeder verarmd microbioom meerdere generaties optimale voeding vereist, waarbij elke generatie het microbioom iets verrijkt dat de volgende generatie kan ontvangen en verder uitbouwen.[12] Er zijn geen directe multigenerationele studies bij honden, maar de onderliggende mechanismen zijn identiek. Een fokker die vandaag overschakelt op optimale voeding voor zijn moederdieren, geeft een beter startpunt door aan de volgende generatie. Volledig herstel van een generaties-lang verarmd microbioom is echter een project van meerdere fokgeneraties.

Voor de begeleidende dierenarts is dit relevant bij het adviseren van eigenaren van pups uit fokkerijen met een lange brokvoerhistorie. De verwachting dat een dieetswitch op negen weken alle microbioomachterstanden compenseert, is niet realistisch. Aanvullende microbioomondersteuning via probiotica, prebiotica en darmherstelprogramma’s is bij deze pups meer geïndiceerd dan bij pups afkomstig uit een fokkerij met meerdere generaties vers voedsel.

4 — Selectie van Ouderdieren

Selectie van ouderdieren: voorbij exterieur en heupscore

4.1 Wat de huidige fokkerijpraktijk mist

De gangbare selectiecriteria in de rashondenfokkerij zijn welbekend: rasconformiteit, HD/ED-scores, oogonderzoek, genetische panelscreening op rasspecifieke aandoeningen, en toenemend ook DNA-gebaseerde diversiteitsscreening. Dit zijn waardevolle criteria. Maar ze missen systematisch een aantal parameters die minstens zo relevant zijn voor de gezondheid van de nakomelingen.

Wat structureel ontbreekt in de meeste fokkerijprotocollen:

  • Temperamentsevaluatie van beide ouderdieren. Angst, impulsiviteit en stressgevoeligheid zijn deels erfelijk en worden bovendien epigenetisch doorgegeven via cortisolpatronen tijdens de dracht en gedragsmodellering na de geboorte.
  • Darmgezondheid en microbioomstatus. Een moederhond met chronische zachte ontlasting, herhaalde giardia-infecties of een hoge dysbiose-index (DI via PCR-fecespanel) geeft een suboptimaal microbioom door aan haar nakomelingen.
  • Infectiehistorie van de reu. Infecties met Giardia duodenalis, Campylobacter of Tritrichomonas foetus bij de reu zijn geen louter individuele gezondheidskwestie: via sperma, directe overdracht tijdens dekking en de algehele microbioomstatus van het fokbedrijf beïnvloeden ze de kolonisatiedynamiek van het nest.
  • Voedingsstatus van de teef over meerdere jaren. Niet alleen de voeding tijdens de dracht is relevant, maar het langetermijnvoedingspatroon dat het microbioom van de moeder heeft gevormd.
  • Chronische laaggradige klachten bij de ouderdieren. Honden met herhaalde huidproblemen, oorontstekingen, voedselovergevoeligheden of structureel suboptimale conditie (ondanks goede voeding) zijn mogelijk dragers van een dysbioot microbioom of een epigenetisch verhoogde ontstekingsgevoeligheid.

4.1b Genetische screening: noodzakelijk maar niet voldoende

Genetische screening is een onmisbaar onderdeel van verantwoord fokbeleid. Rasspecifieke panelscreening op aandoeningen als progressieve retinale atrofie (PRA), multidrug resistance gen-1 deficiëntie (MDR1/ABCB1), degeneratieve myelopathie (DM), von Willebrand ziekte en andere erfelijke afwijkingen geeft waardevolle informatie over het genotypische risico van de nakomelingen. Oogonderzoek via ECVO-gecertificeerde screeners, elleboogbeoordelingen (ED) en heupbeoordelingen (HD) via OFA of FCI-protocol zijn de standaard waaraan serieuze fokkers worden gehouden. Dit is terecht.

Maar genetische screening is geen vrijbrief. Het is een van de factoren die gezondheid bepalen, niet de enige. Dit wordt nergens duidelijker geïllustreerd dan bij heupdysplasie.

HD is het meest screeningsintensieve orthopedische aandoening in de rashondenfokkerij. Toch blijft de prevalentie in veel rassen hoog, ondanks decennia van selectie op HD-vrije ouderdieren. De verklaring ligt in de complexe erfelijkheidsstructuur van de aandoening: HD is polygeen en multifactorieel. Verschillende studies vinden dat heupdysplasie 20 tot 40% erfelijk is, wat betekent dat 20 tot 40% van de variabiliteit in dysplastische ontwikkeling toe te schrijven is aan genetische factoren en de rest aan omgevingsfactoren. Fries en Remedios vonden dat 37,5% van de nakomelingen heupdysplasie ontwikkelt wanneer beide ouders normale heupen hebben. Met andere woorden: HD-vrije ouders bieden geen garantie op HD-vrije nakomelingen.

De omgevingsfactoren die HD-expressie moduleren zijn onder andere: voedingsbelasting in de groeiperiode (met name overvoeding in de eerste zes levensmaanden), bewegingsintensiteit op jonge leeftijd, lichaamsmassa, en, het minst erkende maar mogelijk meest relevante, systemische ontstekingsbelasting via het darmmicrobioom. Chronische laaggradige ontsteking beïnvloedt de kwaliteit van bindweefsel en kraakbeen, en een dysbioot darmmicrobioom met verhoogde intestinale permeabiliteit creëert precies die inflammatoire achtergrond.

Hetzelfde geldt voor andere aandoeningen met een genetische component. MDR1-deficiëntie is een autosomaal recessief gen-defect dat wordt veroorzaakt door een specifieke mutatie (nt230del4); PCR-gebaseerde gentesting identificeert dragers en aangedane dieren met hoge betrouwbaarheid. Dit is één van de weinige fokkerijrelevante aandoeningen waarbij genetische screening een directe, eenvoudig te interpreteren uitkomst geeft. De meeste andere aandoeningen zijn complexer: polygeen, beïnvloed door omgeving, epigenetisch gemoduleerd. De illusie dat genetische clearance gelijkstaat aan gezondheidsgarantie is de voornaamste beperking van het huidige fokkerijparadigma.

Klinische observatie

In mijn praktijk zie ik regelmatig honden met HD waarvan beide ouders HD-vrij zijn verklaard. Dit is geen falen van het screeningssysteem: het is het voorspelbare gevolg van een multifactoriële aandoening waarbij genetische screening één variabele controleert en de overige variabelen (voeding, microbioom, groeisnelheid, bewegingsbelasting) ongecontroleerd blijven. Volledige preventie van HD vereist niet alleen selectie op goede heupen, maar ook optimale epigenetische en metabole omstandigheden in de kritische groeiperiode.

4.2 De reu: meer dan leverancier van genetisch materiaal

In de fokkerijpraktijk wordt de teef doorgaans als de primaire gezondheidsdrager beschouwd, wat voor de directe microbioomoverdracht correct is. De reu wordt echter onderschat als gezondheidsfactor. Via meerdere mechanismen heeft ook de vaderlijke gezondheid invloed op de nakomelingen.

Epigenetische overdracht via sperma. Onderzoek bij muizen toont aan dat traumatische ervaringen, chronische stress en metabole verstoringen bij vaders traceerbaar zijn in het sperma-epigenoom en worden doorgegeven aan de nakomelingen, ook zonder dat de moeder aan dezelfde stressor is blootgesteld.[13] Het mechanisme verloopt via sperma-RNA (met name miRNA’s en tsRNA’s) die na bevruchting embryonale genen reguleren. Bij honden is dit nog onvoldoende bestudeerd, maar vanuit de biologie is dit heel logisch en werkt ditzelfde mechanisme bij alle zoogdieren.

Microbioomoverdracht via dekking. Direct contact tijdens de dekking draagt microbiële populaties over, zowel van de reu op de teef als vice versa. Een reu met een pathologische darmflora kan zo de teef koloniseren vlak voor de conceptie, met directe implicaties voor haar microbioomstatus tijdens de dracht.

Temperamentsgenetica. Gedragsmatige kenmerken als angstgevoeligheid, reactiviteit en frustratietolerantie hebben een significante genetische component. De keuze voor een reu met een kalm, zelfverzekerd temperament is daarom niet alleen relevant voor het exterieurtype van de nakomelingen, maar voor hun neurologische veerkracht.

Aanbeveling voor de praktijk

Overweeg als begeleidend dierenarts een pre-fokonderzoek te introduceren dat naast de gangbare screens ook omvat: fecesonderzoek op dysbiose-index en parasitologie (inclusief Giardia PCR) bij beide ouderdieren, temperamentsbeoordeling via gevalideerde gedragstests (zoals de CBARQ), en een voedingsanamnese over minimaal twaalf maanden voor de geplande dracht.

4.3 Constitutie in TCG-perspectief: Jing en de nierenergie

De Traditionele Chinese Geneeskunde (TCG) beschrijft via het concept van Jing (erfelijke essentie) een framework dat frappant parallel loopt aan de westerse epigenetische constitutieleer. Jing is de fundamentele levensenergie die wordt ontvangen van beide ouderdieren bij de conceptie, opgeslagen in de nieren, en bepalend voor de constitutionele veerkracht, het groeivermogen en de levensduur van het dier.

Angst is in de TCG de primaire emotie die gekoppeld is aan de nierenergie. Een dier met een constitutioneel zwakke nierenergie (Kidney Qi deficiency of Kidney Yang deficiency) is van nature angstiger, kouder, sneller vermoeid en minder veerkrachtig in herstel van ziekte of stress. Die constitutie wordt bepaald door de Jing van de ouderdieren, maar ook door de leefomstandigheden en voedingsstatus van die ouderdieren.

TCG-concept Westers fysiologisch correlaat Klinische manifestatie bij de hond
Jing Epigenetisch profiel, constitutionele HPA-as-gevoeligheid Grondpatroon van stressrespons, immuungevoeligheid
Kidney Qi deficiency HPA-as dysregulatie, verlaagde cortisolrespons bij chronische stress Vermoeidheid, langzaam herstel, lagere rugproblematiek
Kidney Yang deficiency Verlaagd basaalmetabolisme, schildklierdisfunctie, thermoregulatieproblemen Kou-intolerantie, gewichtstoename, lusteloosheid
Angst als nier emotie Verhoogde amygdala-reactiviteit, lage angstdrempel, overactieve sympathicus Schrikachtigheid, separatieangst, reactief gedrag
Zwakke Jing van ouderdieren Prenatale cortisolblootstelling, epigenetische stressmarkeringen in sperma-RNA Verhoogde constitutionele angstgevoeligheid bij nakomelingen
5 — Voeding

Voeding tijdens dracht en lactatie: richtlijnen voor de fokker

5.1 Basisprincipes

De voedingsbehoefte van een drachtige en lacterende hond wijkt significant af van de onderhoudsbehoefte. Dit is breed gedocumenteerd in de veterinaire voedingsleer en wordt door alle grote voermerken erkend via hun speciale dracht/lactatielijnen. Wat minder aandacht krijgt, is de kwalitatieve samenstelling van het dieet en de implicaties daarvan voor het microbioom van moeder en nakomelingen.

De volgende principes zijn wetenschappelijk onderbouwd en klinisch relevant:

5.2 Eiwitbron en -kwaliteit

Hoge biologische waarde dierlijk eiwit is essentieel voor foetale ontwikkeling, placentaïntegriteit en melkeiwitproductie. Onderzoek bij zoogdieren toont aan dat maternale eiwitrestrictie of lage eiwitkwaliteit resulteert in verminderde orgaanmassa bij de nakomelingen, verminderde microbioomdiversiteit en verhoogde metabole kwetsbaarheid.[14]

Praktisch: vers rauw of licht gekookt vlees en organen als primaire eiwitbron bieden een hogere biologische beschikbaarheid dan gehydrolyseerde of geëxtrudeerde eiwitbronnen in commercieel droogvoer. Diversiteit in eiwitbronnen (rund, paard, lam, kip, vis ea) draagt bij aan microbioomdiversiteit via variatie in aminozuurprofielen en micronutriënten.

5.3 Vezels en prebiotische substraten

Fermenteerbare vezels (inuline, FOS, pectine, arabinoglycanen) zijn essentieel als substraat voor butyraat- en propionaat-producerende bacteriën. Deze SCFA’s zijn niet alleen kritisch voor colonocytgezondheid bij de moeder, maar worden ook via de melk aan de neonaat overgedragen en beïnvloeden de vroege immuunmodulatie.[15]

Goede bronnen voor de drachtige hond: groene groenten (broccoli, courgette, spinazie), wortelgewassen (wortel, pastinaak), cichorei en kleine hoeveelheden fruit (blauwe bessen, appel zonder pit). Het aandeel groenten in het dieet van een drachtige hond kan oplopen tot 20–25% van het totale voedingsvolume zonder negatieve gevolgen voor de eiwitbalans.

5.4 Vetzuren

Omega-3 vetzuren (EPA en DHA) zijn cruciaal voor foetale hersenontwikkeling en hebben anti-inflammatoire effecten die direct relevant zijn voor de immuunmodulatie van de neonaat. DHA is een structureel bestanddeel van neuronale membranen en wordt actief via de placenta en moedermelk overgedragen.[16]

Goede bronnen: vette vis (haring, makreel, sardien), krill, en kwalitatieve visolie-suppletie. De verhouding omega-6 tot omega-3 in het dieet van de drachtige hond is ideaal 4:1 tot 5:1; in de meeste commerciële droogvoerproducten loopt dit op tot 10:1 of hoger, wat een pro-inflammatoir substraat creëert.

5.5 Vroeg aanbieden van vast voedsel aan pups

Vanaf week drie kunnen pups worden blootgesteld aan kleine hoeveelheden fijngemalen rauw vlees of zachte vleespapjes. Dit is geen vervanging van moedermelk, maar een aanvulling die de darm vroeg in contact brengt met een divers bacterieel substraat buiten het maternale melkmicrobioom. Elke positieve microbiële blootstelling in deze fase vergroot de diversiteit van de koloniserende flora.

Bij het spenen (week 4–6) is het voordelig om diversiteit in eiwitbronnen en groenten te introduceren in plaats van over te gaan op monoprotein puppybrok. De darm reageert in deze fase het sterkst op positieve microbioomstimulering.

Praktijkrichtlijn voeding per fase
Fase Prioriteit Praktisch
Pre-conceptie (teef) Microbioomoptimalisatie Minimaal 3, maar liefst 12 maanden vers, vleesgericht dieet met diverse vezels voor de dracht
Dracht (wk 1–4) Kwaliteit eiwitten, vetzuren Hoge biologische waarde eiwit, EPA/DHA-suppletie, gevarieerde groenten
Dracht (wk 5–9) Energiedichtheid, mineralen Geleidelijk verhogen van portiegrootte, calcium/fosfor ratio bewaken
Lactatie Maximale microbioomdiversiteit melk Ruime hoeveelheden vers vlees, diversiteit in eiwitbronnen, gefermenteerde producten
Pups wk 3–4 Vroege blootstelling Fijngemalen rauw vlees als aanvulling op moedermelk
Spenen (wk 4–7) Diversiteit Meerdere eiwitbronnen, groenten, vermijd brok als enige voeding
6 — Socialisatie

Socialisatieprotocol: neurobiologie en praktische implementatie

6.1 De neurobiologische basis van de socialisatieperiode

De socialisatieperiode bij honden (globaal week 3–12, met een gevoelige kern tussen week 3 en 8) is de fase van maximale synaptische plasticiteit in de ontwikkelende hersenen.[17] In deze periode worden neurale circuits gevormd die de latere respons op prikkels bepalen: wat als neutraal wordt gecategoriseerd, wat als bedreigend, en hoe snel het stresssysteem na activatie terugkeert naar baseline.

Het cruciale verschil met latere leerfasen is dat blootstelling in de socialisatieperiode circuits bouwt, terwijl blootstelling later in het leven bestaande circuits modificeert. Dat is een fundamenteel verschil in neurobiologische diepte. Een hond die tijdens de socialisatieperiode niet is blootgesteld aan kinderen, kan later leren om kalm te blijven rondom kinderen, maar de neurale architectuur die kinderstimuli als veilig categoriseert, is minder diep geworteld dan wanneer die blootstelling in week 4 al had plaatsgevonden.

6.2 Prenatale stressoverdracht en de gevoeligheid van het socialisatievenster

Pups van angstige of chronisch gestresste moeders starten de socialisatieperiode met een zenuwstelsel dat al epigenetisch is geprogrammeerd op verhoogde stressgevoeligheid. Voor deze pups is breed socialiseren niet alleen wenselijk maar noodzakelijk: het biedt de enige beschikbare mogelijkheid om de constitutionele achterstand deels te compenseren via ervaringsgestuurde neuroplasticiteit.

Onderzoek bij honden (Tiira & Lohi, 2015) toonde aan dat gebrek aan socialisatie in de vroege levensmaanden de sterkste omgevingspredictor is voor angstgerelateerde gedragsstoornissen op volwassen leeftijd, sterker dan negatieve ervaringen later in het leven.[18]

6.3 Praktisch socialisatieprotocol voor fokkers

Leeftijd Prioriteit Concrete activiteiten
Wk 0–2 Tactiele stimulatie Early Neurological Stimulation (ENS): dagelijkse tactiele stimuli, korte temperatuurwisselingen, korte balans-uitdaging. 3–5 sec per stimulus, 1x per dag
Wk 3–4 Omgevingsdiversiteit Diverse vloeroppervlakken (gras, tegels, tapijt, hout, metaal), geluidsopnames (verkeer, stofzuiger, muziek), eerste menselijk contact buiten fokker
Wk 5–6 Sociale diversiteit Contact met minimaal 10 verschillende mensen (variatie in leeftijd, geslacht, kleding, bewegingspatroon), contact met andere honden buiten het nest, eerste autoritten
Wk 7–8 Complexe omgevingen Drukke omgevingen (markt, straat), onverwachte geluiden, contact met kinderen, andere diersoorten indien veilig, korte scheidingservaringen van de moeder
Wk 9–12 (nog bij fokker) Verdieping en voorbereiding overdracht Complexere omgevingen en situaties, langere scheidingservaringen van de moeder, bezoeken bij potentiële eigenaar in de fokkerijomgeving; fokker legt socialisatiedossier aan
Wk 12–16 (uithuisplaatsing aanbevolen) Overdracht en consolidatie Uithuisplaatsing bij neurologisch en microbiologisch rijpere pup; nieuwe eigenaar continueert socialisatie gericht op vertrouwen, niet op gehoorzaamheid; vermijden van overweldigende ervaringen; fokker draagt socialisatiedossier over aan nieuwe eigenaar

6.4 De moeder als socialisatiemodel

Een aspect van socialisatie dat in de praktijk ondergewaardeerd wordt, is de rol van de moederhond als gedragsmodel. Pups leren in de eerste levensweken niet alleen van directe ervaringen, maar ook via observationeel leren van hun moeder. Een moeder die angstig reageert op een stofzuiger geeft die angstreactie door aan haar pups, ook als de pups zelf niet in een positie zijn om de stofzuiger als bedreigend te ervaren.

Dit heeft directe implicaties: de keuze voor een moederhond met een evenwichtig, kalm temperament is niet alleen relevant voor de epigenetische overdracht voor de geboorte, maar ook voor de gedragsmodellering in de eerste levensweken. Een fokker die een angstige teef inzet, fokt structureel angstige nakomelingen via drie onafhankelijke kanalen: genetica, epigenetica en observationeel leren.

7 — Infectieziekten

Infectieziekten en darmherstel: Giardia als casus

Infectieuze aandoeningen bij fokdieren en jonge pups worden in de meeste fokkerijprotocollen behandeld als losse klinische episodes: diagnosticeren, behandelen, klaar. Wat structureel onderbelicht blijft, is het persisterende effect van bepaalde infecties op het darmmicrobioom, en de implicaties daarvan voor de langetermijngezondheid van de betrokken dieren en hun nakomelingen.

Giardia duodenalis is hiervan het meest relevante voorbeeld in de hondenpopulatie, vanwege de hoge prevalentie in fokkerij-omgevingen (groepshuisvesting faciliteert fecaal-orale transmissie), de neiging tot asymptomatisch dragerschap bij volwassen dieren, en het gedocumenteerde post-infectieuze effect op microbioomdiversiteit en darmbarrièreintegriteit.

Kernpunten in de context van fokbeleid:

  • Een moederhond met een actieve of recente Giardia-infectie heeft een significant hogere kans op overdracht naar haar pups via de fecaal-orale route in het nest.
  • Behandeling met metronidazol of fenbendazol elimineert de parasiet maar herstelt niet de microbioomdysbiose die door de infectie is ontstaan. Post-Giardia syndroom, met persisterende darmklachten na parasitaire eradicatie, is bij honden gedocumenteerd en verloopt via hetzelfde mechanisme als bij mensen.
  • Een reu met een recente Giardia-infectie kan bij de dekking de teef besmetten, met directe implicaties voor haar microbioomstatus tijdens de dracht.
  • Pups uit nesten met Giardia-problematiek hebben een verhoogde kans op persisterende microbioomdysbalans met alle gevolgen van dien, zelfs na succesvolle parasitaire behandeling.

Klinische aanbeveling

Bij pups of fokdieren met een Giardia-infectie is behandeling van de parasiet onvoldoende als enige interventie. Een actief darsherstelprogramma na eradicatie, bestaande uit gerichte probiotica, prebiotische ondersteuning en voedingsoptimalisatie, is geïndiceerd om de persisterende microbioomdysbalans te adresseren. Voor een volledige uitwerking van de Giardia-pathofysiologie, post-infectieuze mechanismen en behandelopties, verwijs ik naar mijn uitgebreide artikel over dit onderwerp: Giardia bij de hond.

7B — Verticale & Venerale Transmissie

Meer dan een teek: verticale en venerale transmissie van vectorgebonden pathogenen in de fokkerij

Vectorgebonden infecties worden in de fokkerijpraktijk doorgaans beschouwd als individuele gezondheidsproblemen van het betrokken dier. Screening voorafgaand aan de fok richt zich, wanneer dat al plaatsvindt, op de klinisch zieke hond. Wat systematisch onderbelicht blijft, is dat er steeds meer wetenschappelijke literatuur aantoont dat meerdere van deze pathogenen ook via niet-vectoriale routes worden overgedragen: verticaal van moeder op pup via placenta, colostrum en vagina, maar ook via sperma en vaginale uitvloeiing.

De klinische relevantie voor de fokkerijpraktijk is substantieel en neemt toe. Twee ontwikkelingen versterken dit:

  • Internationale teef-reu-koppelingen. Fokkers zoeken steeds vaker rassen met de beste genetische kenmerken wereldwijd, waarbij sperma internationaal wordt verscheept of moeders en vaders uit verschillende landen worden gecombineerd. Dit vergroot de kans op import van pathogenen die in Nederland niet endemisch zijn maar in het land van herkomst breed aanwezig zijn.
  • Honden geïmporteerd uit buitenland. Een substantieel deel van de pups die nu als fokdier worden ingezet in Nederland is zelf afkomstig uit het buitenland of is geboren uit een geïmporteerde moeder. Asymptomatisch dragerschap van vectorgebonden pathogenen bij deze dieren is een reëel en onderschat risico.

Hieronder wordt per pathogeen het beschikbare bewijs voor verticale en/of venerale transmissie samengevat, gerangschikt op sterkte van het wetenschappelijk bewijs.

Brucella canis: sterkste bewijs, directe fokkerijrelevantie

Brucella canis is de meest gedocumenteerde venereaal en verticaal overdraagbare bacterie in de hondenfokkerij. Transmissie vindt primair plaats via vaginale secreties, sperma, abortusmateriaal en placentaweefsel; urine, speeksel en neusuitvloeiing spelen een secundaire rol. De bacterie koloniseert selectief het mannelijke genitale stelsel, met name de epididymis, wat resulteert in chronische epididymitis en continue eliminatie van Brucella in het sperma. Transmissie via ingevroren sperma is gedocumenteerd, wat betekent dat ook kunstmatige inseminatie met diepgevroren sperma van een geïnfecteerde reu een transmissieroute vormt.[R1]

Verticale overdracht van teef op pups is goed gedocumenteerd via de transplacentaire route en via de melk. Een geïnfecteerde moeder kan zowel doodgeboren als levend geboren maar geïnfecteerde pups produceren. De ziekte is bij honden moeilijk te behandelen en in de meeste gevallen ongenezelijk; het veterinaire advies in meerdere landen is euthanasie of permanente quarantaine van geïnfecteerde dieren. De zoonotische potentie van B. canis is reëel, met gedocumenteerde humane infecties via contact met geïnfecteerde genitale vloeistoffen.[R2]

Aanbeveling

Serologische screening op Brucella canis van beide ouderdieren voor elke dekking, en bij elke import van fokdieren uit endemische gebieden (Oost-Europa, Zuid-Europa, buiten Europa). Kunstmatig inseminatie met vers of ingevroren sperma vereist een negatieve Brucella-test van de reu niet ouder dan 30 dagen voor sperma-afname. Dit is geen aanbeveling maar een minimumvereiste voor verantwoorde fokkerij.

Leishmania infantum: sterk bewijs, toenemende relevantie in Nederland

Leishmania infantum is klassiek een vectorgebonden infectie via de zandvlieg (Phlebotomus spp.), endemisch in het Middellandse Zeegebied en Zuid-Europa. De relevantie voor de Nederlandse fokkerij is aanzienlijk toegenomen door de import van honden uit endemische gebieden en door internationale fokpartnerships.

Venerale transmissie via sperma is aangetoond in een studie waarbij 13 van 15 seropositieve reuen Leishmania-DNA aantoonbaar hadden in het sperma, en waarbij venerale overdracht naar niet-geïnfecteerde teven werd gedocumenteerd in de afwezigheid van de vectormug.[R3] Transplacentaire transmissie is aangetoond in meerdere studies, zowel experimenteel als in natuurlijk geïnfecteerde populaties in Europa en Noord-Amerika. In een Amerikaanse foxhoundpopulatie zonder aantoonbare vectorexpositie bedroeg de jaarlijkse PCR-prevalentie meer dan 20%, wat aangeeft dat verticale en venerale transmissie de infectie in stand houden zonder zandvliegexpositie.[R4]

Een parasitologische studie bij co-infectie van L. infantum en Anaplasma platys bij drachtige teven bevestigde verticale transmissie van beide pathogenen al in de eerste helft van de dracht.[R5] Transmissie via bloedtransfusie van asymptomatisch geïnfecteerde donoren is eveneens gedocumenteerd.

Klinische implicatie

Een reu afkomstig uit of regelmatig verblijvend in endemisch gebied, ook zonder klinische tekenen van leishmaniose, kan via sperma Leishmania overdragen op de teef, en de teef vervolgens op haar pups. PCR-screening van de reu op L. infantum voor dekking of spermalevering is in deze context geen overbodige maatregel maar een basale voorzorg.

Anaplasma platys: moleculair bewijs voor transplacentaire overdracht

Anaplasma platys, de verwekker van infectieuze cyclische trombocytopenie bij honden, is primair een tekengebonden pathogeen. Toenemend bewijs suggereert echter dat verticale transmissie een relevante aanvullende transmissieroute is.

Een studie bij twaalf nesten vond dat vijf pups uit twee nesten onder de 28 dagen oud positief waren voor A. platys via PCR, zonder bewijs van tekeninfestatie.[R6] Een meer recente studie uit 2026 bevestigde transplacentaire transmissie van A. platys in 31,8% van organen van doodgeboren pups van 51 natuurlijk besmette teven, naast transplacentaire transmissie van Babesia vogeli en hemotrope Mycoplasma in dezelfde populatie.[R7]

Anaplasma phagocytophilum, de verwekker van granulocytaire anaplasmose en ook in Nederland endemisch via Ixodes ricinus, heeft minder sterk bewijs voor verticale transmissie bij honden specifiek, hoewel transplacentaire overdracht bij schapen is aangetoond en hetzelfde mechanisme heel plausibel is.

Ehrlichia canis: recent moleculair bewijs, relevant bij honden uit Zuid-Europa

Ehrlichia canis, verwekker van canine monocytaire ehrlichiose, is niet endemisch in Nederland maar is frequent aanwezig bij honden geïmporteerd uit Zuid-Europa, Oost-Europa en buiten-Europese regio’s. Een recente Braziliaanse studie (ScienceDirect, 2025) onderzocht 51 besmette drachtige teven en vond Ehrlichia DNA in 27,5% van bloedmonsters van de teven, 5,9% van placenta’s, 9,1% van organen van doodgeboren pups, en 2,5% van bloedmonsters van levend geboren neonaten tot vijf dagen oud.[R8] Dit is het eerste directe moleculaire bewijs van transplacentaire transmissie van E. canis bij besmette teven.

De klinische relevantie voor een pup geboren uit een teef die afkomstig is uit endemisch gebied is direct: ook een klinisch gezonde, asymptomatisch dragende moeder kan haar pups via de placenta infecteren. De pup arriveert dan in Nederland met een actieve intracellulaire infectie die de standaard screeningsvragen niet oppikt.

Borrelia burgdorferi: biologisch plausibel, experimenteel aangetoond

Borrelia burgdorferi, de verwekker van de ziekte van Lyme, is in Nederland endemisch via de teek Ixodes ricinus. Verticale transmissie is experimenteel aangetoond bij honden: een studie met tien geïnfecteerde beagle-teven vond spirocheten in weefsel van pups geboren uit geïnfecteerde moeders, wat intrauteriene overdracht suggereert.[R9]

De sterkte van het bewijs voor verticale transmissie onder natuurlijke omstandigheden is minder robuust dan voor Brucella of Leishmania. Een Banbury Conference review (Frontiers in Medicine, 2026) concludeerde dat het totaal van beschikbaar bewijs aangeeft dat Bb de placenta kan passeren en geassocieerd kan zijn met nadelige zwangerschapsuitkomsten, maar dat fundamentele onderzoeksvragen onbeantwoord blijven.[R10] De biologische plausibiliteit is sterk: Borrelia is een spirocheet met aangetoonde tropisme voor meerdere weefseltypen inclusief reproductief weefsel, vergelijkbaar met de beter gedocumenteerde Leptospira.

Leptospira interrogans: venerale en transplacentaire routes gedocumenteerd

Leptospira is breed erkend als overdraagbaar via urine, maar de venerale en transplacentaire routes worden in de fokkerij systematisch onderschat. Pathogene leptospiren koloniseren niet alleen de nieren maar ook het reproductieve stelsel, inclusief het testisweefsel van de reu.[R11] Directe transmissie via sperma, post-abortus afscheiding en geïnfecteerd foetaal weefsel is gedocumenteerd, en de AVMA erkent expliciet dat een geïnfecteerde moederhond de bacterie via de placenta op ongeboren pups kan overdragen.[R12]

Honden kunnen asymptomatisch drager zijn van Leptospira en de bacterie uitscheiden via de urine zonder zelf klinische tekenen te vertonen. Dit maakt standaardscreening op basis van klinisch beeld onbetrouwbaar. In de fokkerij is dit extra relevant omdat asymptomatisch dragende fokdieren, inclusief ingevoerde reuen of teven, de infectie via sperma, bij de dekking of via de placenta kunnen overdragen zonder dat er een klinische aanleiding voor onderzoek is.

Bartonella en het diagnostische gat: wat standaard screening mist

Bartonella spp. verdienen een aparte vermelding, niet primair vanwege de sterkte van het bewijs voor verticale transmissie bij honden specifiek, maar vanwege hun bijzondere biologische eigenschappen en de klinische patronen die daaruit voortvloeien. Bartonella zijn facultatief intracellulaire bacteriën die persisteren in erytrocyten en endotheelcellen. Die intracellulaire lokalisatie is precies wat ze zo moeilijk te detecteren en te behandelen maakt: de meeste antibiotica bereiken de intracellulaire compartimenten onvoldoende, en de lage bacteriëmie die het gevolg is van deze schuilplaatsstrategie maakt standaard PCR op volbloed frequent fout-negatief.[R13]

Onderzoek bij NC State University toonde Bartonella DNA aan in hemangiosarcoom-tumoren van honden, wat een directe link suggereert tussen chronische intracellulaire Bartonella-infectie en kankerpathologie.[R14] Verticale transmissie van Bartonella spp. is aangetoond in zoogdierreservoirs: in een studie bij Microtus-soorten werd Bartonella DNA gevonden in 47,1% van embryo’s en 54,8% van pups van geïnfecteerde moeders.[R15] Directe studies bij honden zijn schaars, maar de biologische plausibiliteit is sterk gegeven de brede zoönotische verspreiding van Bartonella en de aangetoonde transmissie via bloed en mogelijk sperma.[R16]

Het klinische perspectief: wat levendbloed-analyse laat zien

In mijn integratief diergeneeskundig centrum stuit men regelmatig op een klinisch patroon dat moeilijk te duiden is met conventionele diagnostiek: honden met chronische, vage, wisselende klachten die goed reageren op darmherstelprogramma’s en mitochondriële ondersteuning, maar waarbij herstel stopt op 70 tot 80 procent van het verwachte niveau. Aanvullend bloedonderzoek, vaccinatiestatus en fecespanels geven geen verklaring.

Levendbloed-analyse (LBA) van vers, niet-gefixeerd capillair bloed onder donkerveldmicroscopie biedt in deze gevallen aanvullende visuele informatie. Wat men bij een substantieel deel van deze patiënten consequent waarneemt, is een verhoogde intracellulaire belasting: afwijkende erytrocytenmorfologie, aanwezigheid van intracellulair materiaal in erytrocyten, leukocyten en trombocyten, en tekenen van oxidatieve en inflammatoire activiteit die niet corresponderen met de bevindingen op standaard hematologie.

LBA is geen gevalideerde diagnostische methode voor pathogeen-identificatie. De structuren die worden waargenomen kunnen niet worden geclassificeerd als een specifiek agens. Maar als klinisch oriëntatiemiddel wijst een verhoogde intracellulaire belasting op LBA naar een categorie pathogenen die met standaard diagnostiek niet worden opgepikt: obligaat of facultatief intracellulaire micro-organismen die zich juist verbergen in de cellen die de conventionele diagnostiek onderzoekt. De pathogenen besproken in deze sectie, Ehrlichia, Anaplasma, Bartonella, Leishmania en hemotrope Mycoplasma, passen allen in dat profiel.

De diagnostische implicatie

Een hond met onverklaard stagnerende respons op een goed uitgevoerd darmprotocol, bij wie LBA een verhoogde intracellulaire belasting toont, is een kandidaat voor gericht aanvullend onderzoek op stealth-pathogenen. Dat onderzoek vereist methoden die de intracellulaire compartimenten bereiken: digitale PCR op geïsoleerde leukocytenfracties in plaats van volbloed, FISH-technieken, of uitgebreide serologische panelscreening inclusief Bartonella spp., Ehrlichia en hemotrope Mycoplasma. Standaard PCR op volbloed is voor veel van deze pathogenen onvoldoende sensitief vanwege de lage circulerende bacteriëmie.

De fokkerij-implicatie is direct: als deze intracellulaire pathogenen overdraagbaar zijn via bloed, sperma en placenta, zoals het beschikbare bewijs voor meerdere van hen aangeeft, dan kunnen geïnfecteerde ouderdieren, ook zonder klinische tekenen, een intracellulaire infectiedruk doorgeven aan hun nakomelingen. De pup begint dan niet alleen met een microbioom-achterstand maar ook met een intracellulaire belasting die zijn immuunsysteem chronisch activeert, zijn mitochondriële functie belast en zijn zelfherstellend vermogen structureel beperkt. Dat is de meest plausibele verklaring voor het patroon van partieel herstel dat klinisch herkenbaar is bij een specifieke subgroep patiënten.

Klinische observatie

Bij chronische patiënten waarbij darmherstelprogramma en mitochondriële ondersteuning een partieel herstel geven dat stokt rond 70-80% van het verwachte niveau, is een verhoogde intracellulaire belasting op LBA een consistente bevinding. Dit klinische patroon suggereert dat standaard diagnostiek een categorie pathogenen mist die biologisch verklaarbaar overdraagbaar is via de fokkerij. Het formuleren van evidence-based screeningsprotocollen voor deze stealth-pathogenen in de fokkerijcontext is een relevant en nog grotendeels onontgonnen onderzoeksdomein.

Voor een volledige uitwerking van de patofysiologie, infectieuze mechanismen en behandelopties van intracellulaire microben, verwijs ik naar mijn uitgebreide artikel over dit onderwerp: Intracellulaire infecties bij de hond en kat

Pathogeen Verticale transmissie Venerale transmissie Bewijs Fokkerij-risico NL
Brucella canis Goed gedocumenteerd Primaire route, ook via KI Sterk Hoog bij import/international sperma
Leishmania infantum Aangetoond, meerdere studies Aangetoond via sperma Sterk Hoog bij honden uit ZO-Europa
Ehrlichia canis Moleculair aangetoond (2025) Niet specifiek bestudeerd Matig-sterk Hoog bij import uit endemisch gebied
Anaplasma platys PCR-bewijs bij neonaten zonder tekenexpositie Niet aangetoond Matig Matig, toenemend bij internationalisering fok
Leptospira interrogans Gedocumenteerd via placenta Gedocumenteerd via sperma en genitale vloeistoffen Matig-sterk Aanwezig ook bij NL-fokdieren
Borrelia burgdorferi Experimenteel aangetoond bij honden Biologisch plausibel, niet direct aangetoond Matig Aanwezig via endemische tekenexpositie NL
Bartonella spp. Aangetoond in zoogdierreservoirs; bij honden schaars bestudeerd Aanwezig in bloed en mogelijk sperma; niet direct aangetoond bij honden Matig (indirect) Onderschat; relevant bij onverklaard partieel herstel
Aanbeveling pre-fok screening op vectorgebonden pathogenen

Voor fokkers die werken met internationale koppelingen of met fokdieren afkomstig uit het buitenland: overweeg een screeningspanel dat naast de gangbare screenings ook omvat:

  • Serologie en/of PCR op Brucella canis (beide ouderdieren, maximaal 30 dagen voor dekking)
  • PCR of serologie op Leishmania infantum bij honden met herkomst uit of verblijf in endemisch gebied
  • PCR op Ehrlichia canis en Anaplasma spp. bij honden geïmporteerd uit Zuid- en Oost-Europa
  • Leptospirose serologie (MAT) bij fokdieren met omgevingsrisicoexposure
  • Bij pups geboren uit geïmporteerde of internationaal gepartnerde teven: overweeg PCR-panel op bovenstaande pathogenen op pup-leeftijd van 4-6 weken, ook bij klinisch gezonde nesten
8 — Ziektebeelden

Onderscheid tussen dysbiose-gerelateerde en acute aandoeningen

Een van de meest klinisch relevante vragen bij jonge honden met gezondheidsproblemen is: zijn deze klachten het gevolg van een onderliggende dysbiose en verhoogde darmpermeabiliteit, of zijn het tijdelijke acute aandoeningen die ook bij optimaal gezonde dieren kunnen optreden? Dit onderscheid heeft directe therapeutische implicaties.

8.1 Kenmerken van dysbiose-gerelateerde aandoeningen

Dysbiose-gerelateerde aandoeningen worden gekenmerkt door een aantal patronen die ze onderscheiden van enkelvoudige, acute ziekten:

  • Systemisch karakter. Klachten zijn zelden beperkt tot één orgaansysteem. Een hond met atopische dermatitis heeft vaker ook darmklachten. Een hond met chronische oorontstekingen heeft vaker ook huidproblemen. Dit patroon van verschuivende of overlappende klachten wijst op een systemische, dysbiose-gemedieerde inflammatoire achtergrond.
  • Chronisch-recidiverend verloop. Episodische behandeling lost klachten tijdelijk op maar geeft geen langdurig herstel. Terugkeer na antibiotica of corticosteroïden is het patroon, niet de uitzondering.
  • Vroege manifestatie. Klachten beginnen vroeg in het leven, soms al in de eerste levensweken of maanden, wat wijst op een constitutionele of perinatale oorsprong.
  • Respons op voedingsinterventie. Significante verbetering bij dieetverandering naar vers, vleesgericht voedsel is een sterke aanwijzing voor een dysbiose-gemedieerde component.
  • Verhoogde dysbiose-index. PCR-gebaseerde fecespanels die de Dysbiose Index (DI) kwantificeren, geven directe informatie over de mate van microbioomverstooring. Een positieve DI bij een hond met chronische klachten is een objectieve bevestiging van de dysbiose-hypothese.
Klinisch beeld Dysbiose-gerelateerd Acuut en tijdelijk
Diarree Chronisch, wisselt van ontlastingskwaliteit, reageert niet op metronidazol Acuut, helder beginpunt (stress, voedingswissel, infectie), zelfoplossend of kort te behandelen
Huidproblemen Atopisch patroon, recidiverend, gecombineerd met darmklachten, reageert op voedingsinterventie Lokale huidinfectie, contactallergie, parasitaire huidaandoening met duidelijke trigger
Oorontsteking Bilateraal, recidiverend, geassocieerd met atopie, verbetert niet structureel met lokale behandeling Unilateraal, acuut, heldere aanleiding (zwemmen, vreemd lichaam), reageert goed op lokale therapie
Gewrichtsproblemen Vroeg optredend bij jong dier, systemisch inflammatoir, wisselt van gewricht HD/OCD bij grotere rassen, trauma, acuut van begin met identificeerbare oorzaak
Gedragsproblemen Angst, reactief gedrag, slecht reagerend op training, gecombineerd met lichamelijke klachten Specifieke fobie na traumatische ervaring, aangeleerd ongewenst gedrag zonder angstcomponent

8.2 Dysbiose als risicofactor voor ernstige chronische ziekten

Chronische laaggradige ontsteking, gevoed door persisterende dysbiose en verhoogde intestinale permeabiliteit, is in toenemende mate gelinkt aan de grote chronische ziekten bij honden: atopische dermatitis, inflammatoire darmziekte, immuungemedieerde hemolytische anemie, diabetes mellitus en neoplasie.[19,20]

Kanker is de voornaamste doodsoorzaak bij volwassen honden, met een jaarlijkse incidentie van circa 381 per 100.000 dieren. De koppeling tussen darmmicrobioom en kankerpathologie verloopt via meerdere mechanismen: chronische NF-kB-activatie, verminderde NK-cel-activiteit, productie van carcinogene metabolieten (secundaire galzuren, nitroso-verbindingen) door dysbiote bacteriepopulaties, en modulatie van de tumorimmunologie.[21]

Dit betekent niet dat we een direct oorzakelijk verband aantonen, aangezien het bewijs bij honden voornamelijk is gebaseerd op correlatie. De humane literatuur is substantieel en de onderliggende mechanismen zijn biologisch gezien zeer aannemelijk om de microbioomgezondheid structureel mee te nemen in preventieve gesprekken met fokkers en eigenaren.

9A — Uithuisplaatsingstijdstip

Uithuisplaatsing op 12 tot 16 weken: een onderbouwd pleidooi

De norm van negen weken als uithuisplaatsingsleeftijd voor rashonden is in de meeste Europese landen wettelijk verankerd als minimum. Dat dit de minimumleeftijd betreft, raakt ondergesneeuwd in de praktijk: negen weken is verworden tot de standaard, waarbij vroeger uitplaatsen als problematisch wordt beschouwd maar later uitplaatsen als onnodig of zelfs onwenselijk. Vanuit de fokker vind dan in dezelfde week van uithuisplaatsing de eerste controle bij de nieuwe dierenarts met vaccinatie van 9 weken leeftijd plaats wat anders extra kosten met zich meeneemt. Verder is er een stuk socialisatie met de nieuwe eigenaar meegenomen in de verkoop op 9 weken leeftijd. De wetenschappelijke literatuur rechtvaardigt een substantieel andere benadering.

9A.1 Neurobiologische argumenten voor latere uithuisplaatsing

De socialisatieperiode bij honden loopt tot circa week 12-14, met een gevoelige angstimprintingsfase tussen week 8 en week 12. In deze fase verwerkt het zenuwstelsel prikkels intensiever en vormt het diepgewortelde associaties die moeilijk te modificeren zijn. Uitplaatsing op negen weken gooit de pup precies in het begin van deze kritische fase: een nieuwe omgeving, nieuwe mensen, geen moeder, geen nestgenoten, tegelijkertijd met de meest gevoelige imprintingsfase van zijn leven.

Een Sardijnse studie uit 2025 die 107 honden volgde die op verschillende leeftijden uit huis waren geplaatst, vond dat pups die voor twee maanden uit huis geplaatst waren significant hogere angst-, attachment- en aandachtzoekend gedrag hadden als volwassen hond, vergeleken met pups uit huis geplaatst op drie of vier maanden.[22] Een studie gepubliceerd in Animals (2021) vond dat honden uit huis geplaatst op of voor twaalf weken significant lagere kansen hadden op het ontwikkelen van angst- en angstgerelateerd destructief gedrag.[23]

Het klassieke werk van Pfaffenberger en Scott (1959) bij geleidehonden is hier relevant: honden uit huis geplaatst op twaalf weken in plaats van acht weken hadden een slaagpercentage in de geleidehondentraining van circa 90%, aanzienlijk hoger dan vroeger uit huis geplaatste honden. De extra weken bij de fokker, mits besteed aan brede socialisatie, leverden betere gedragsuitkomsten op.[24]

9A.2 Microbiologische argumenten

Naast de neurobiologische argumenten zijn er microbiologische redenen om uithuisplaatsing te verschuiven naar een latere leeftijd. De eerste twaalf tot zestien weken zijn de meest kritische fase voor microbioomkolonisatie. Elke week die de pup bij zijn moeder en nestgenoten doorbrengt is een week van aanvullende maternale microbioomoverdracht, aanvullende blootstelling aan het fokkersmilieu, en aanvullende ervaring met vast voedsel in een gecontroleerde setting.

Uithuisplaatsing op negen weken valt precies in de periode van maximale microbioomplasticiteit en maximale kwetsbaarheid voor dysbiose door omgevingsverandering. Stress bij uithuisplaatsing verhoogt cortisolspiegels, die op hun beurt de darmpermeabiliteit verhogen en de microbioomsamenstelling negatief beïnvloeden. Later uitplaatsen, bij een pup die neurologisch en microbiologisch meer rijp is, vermindert die kwetsbaarheid.

Aanbeveling

Een uithuisplaatsingsleeftijd van twaalf weken is wetenschappelijk beter onderbouwd dan de huidige norm van negen weken. Zestien weken is voor kwetsbare rassen of pups met een suboptimale socialisatieachtergrond een nog sterker argument. De praktische haalbaarheid vereist dat fokkers de socialisatie tijdens die extra weken actief en breed invullen, wat niet vanzelfsprekend is. De rol van de begeleidende dierenarts is hier om dit als aanbeveling te introduceren en fokkers te ondersteunen bij de implementatie. Dit is een zaad dat geplant moet worden; brede adoptie van deze norm zal generaties kosten.

9B — Ontworming & Medicatiebeleid

Ontworming, antiparasitica en medicatiebeleid: Less is more

9B.1 Routineontworming versus diagnostisch gestuurde behandeling

De standaardpraktijk van preventieve routineontworming bij fokdieren en nesten is duidelijk, maar wetenschappelijk niet goed onderbouwd als universeel beleid. Moderne antihelmintica zoals fenbendazol en milbemycine zijn breedspectrum middelen die niet alleen parasitaire wormen elimineren, maar ook aantoonbaar de samenstelling van het darmmicrobioom beïnvloeden. Metronidazol, frequent ingezet bij protozoaire infecties zoals giardia, heeft een van de meest gedocumenteerde negatieve effecten op de microbioomdiversiteit van alle gebruikte veterinaire geneesmiddelen.

De aanbeveling die het ESCCAP (European Scientific Counsel Companion Animal Parasites) hanteert, is dat de frequentie van antiparasitaire behandeling dient te worden afgestemd op de individuele parasitologische belasting en omgevingsrisicoanalyse, niet op een vaste kalender. Fecesonderzoek voorafgaand aan behandeling, via flotatietechniek en/of PCR, geeft informatie over welke parasieten daadwerkelijk aanwezig zijn en of behandeling is geïndiceerd. Dit is een substantieel andere benadering dan het routinematige ontwormen van alle fokdieren en pups ongeacht status.

Voor de fokker in de praktijk betekent dit: ontlastingsonderzoek als standaard voor het fokdier twee tot vier weken voor de geplande dekking, herhaling bij de moederhond twee weken voor de verwachte partus, en fecescontrole van de pups voor eerste behandeling. Behandel alleen als een parasiet aanwezig is, met het middel dat het smalste spectrum heeft dat effectief is tegen de gevonden parasiet.

Ook de behandeling van pups moet niet standaard gebeuren maar op geleide van een fecesonderzoek. De standaard behandeltijden op 2 en 4 weken en 3, 4, 5 en 6 maanden geeft anders een te grote belasting voor het microbioom.

9B.2 Externe antiparasitica, insecticiden en de microbioombelasting van de moeder

Externe antiparasitica, met name de isoxazoline-klasse (fluralaner, sarolaner, afoxolaner) en de organofosfor- en pyretroïde-gebaseerde preparaten, worden bij fokdieren vaak routinematig ingezet voor vlooien- en tekenpreventie. De systemische absorptie van isoxazolines is substantieel en de middelen worden uitgescheiden via melk, wat betekent dat lacterende moeders die behandeld worden met deze middelen hun pups blootstellen aan actieve werkzame stof via de voeding.

Daarnaast zijn er toenemende signalen dat insecticiden in het algemeen, ook bij topicale toepassing, het darmmicrobioom beïnvloeden via systemische absorptie en effect op de microbioomsamenstelling. Onderzoek bij insecten, muizen en toenemend ook bij zoogdieren toont dat pesticide-exposure de abundantie van beschermende bacteriepopulaties vermindert en dysbiose bevordert. De klinische relevantie voor honden is onvoldoende bestudeerd, maar de biologische plausibiliteit is aanwezig.

De aanbeveling voor fokkers: minimaliseer het gebruik van externe antiparasitica bij drachtige en lacterende moeders tot het strikt noodzakelijke. Overweeg bij laag-risico-omgevingen (geen tick-endemic gebied, geen aangetoonde vlooieninfestatie) het gebruik van antiparasitica geheel te staken gedurende de dracht en de eerste vier tot zes weken van de lactatie. Mechanische maatregelen (regelmatig kammen, omgevingshygiëne) en natuurlijke afwerende middelen zijn in die periode de eerste keuze.

Medicatiebeleid drachtige en lacterende moederhond

Naast antiparasitica geldt een algemeen principe van minimalisatie van medicatiebelasting tijdens dracht en lactatie. NSAID’s, antibiotica en corticosteroïden zijn bij strikte indicatie soms onvermijdelijk, maar alle drie hebben ze gedocumenteerde effecten op het darmmicrobioom en/of de foetale ontwikkeling. Het beleid “geen medicatie zonder duidelijke indicatie” is bij fokdieren de standaard, niet de uitzondering. Dit geldt ook voor supplementen van onbepaalde kwaliteit: wat de moeder opneemt, bereikt via de placenta of via de melk ook de pups.

9C — Vaccinatiebeleid

Vaccinatiebeleid: WSAVA-richtlijnen, titercontrole en het probleem van overvaccinatie

9C.1 Maternale antilichamen en het vaccintijdstipprobleem

De gangbare praktijk in de Nederlandse fokkerij is vaccinatie van pups op zes weken, gevolgd door herhalingen op negen en twaalf weken. Dit schema is breed verspreid maar heeft een fundamentele immunologische beperking: maternale antilichamen (MDA), die de pup via het colostrum heeft ontvangen, interfereren met de vaccin-respons. Een pup die op zes weken wordt gevaccineerd terwijl zijn MDA-spiegels nog voldoende hoog zijn, zal het vaccin neutraliseren voordat het een eigen immuunrespons kan induceren. Het vaccin is dan effectief verspild.

Het tijdstip waarop MDA-spiegels voldoende dalen om vaccinatie effectief te laten zijn, varieert sterk tussen individuele pups, zelfs binnen hetzelfde nest, afhankelijk van colostrumopname, de antilichaamtiters van de moeder, en individuele immunologische rijping. Dit kan variëren van zes weken tot zeventien weken. De WSAVA-richtlijnen (2024) erkennen dit expliciet en stellen dat de meeste pups die op twaalf tot zestien weken worden gevaccineerd een beschermende immuunrespons opbouwen, maar dat vroegere vaccinatie bij sommige pups interferentie ondervindt van MDA.

De praktische conclusie is dat vaccinatie op zes weken in de meeste gevallen ofwel ineffectief is (bij hoge MDA), ofwel een immuunrespons induceert bij een immuunsysteem dat nog niet volledig rijp is. In beide gevallen is de meerwaarde twijfelachtig en de immuunbelasting reëel.

9C.2 Titercontrole als rationeel alternatief voor routinematige herhalingsvaccinatie

De WSAVA Vaccination Guidelines Group (VGG) beveelt serologische titercontrole aan als methode om de noodzaak van herhalingsvaccinatie te beoordelen. Voor de kernvaccins tegen hondenziekte (CDV), parvovirus (CPV-2) en infectieuze hepatitis (CAV-2) is een beschermende antilichaamtiter na basisimmunisatie doorgaans langdurig aanwezig: meerdere jaren tot soms levenslang.

Recente evaluatie van drie point-of-care testsystemen voor titercontrole (Janowitz et al., Vet Sciences 2025) toonde aan dat snelle titercontrole voor CPV betrouwbaar is en dat de meeste honden na basisimmunisatie op driejarige herhalingsvaccinatie minimaal gelijke bescherming hebben als jaarlijks gevaccineerde honden.[25] De WSAVA VGG stelt expliciet dat het doel is elke hond te vaccineren met kernvaccins, maar niet meer frequent dan nodig is. Vaccinatiecheck (titercontrole) via bloedonderzoek voor de beslissing om al dan niet te hervatten vaccin is de aanbevolen praktijk bij honden met een onzekere vaccinatiehistorie of met een reeds aangetoonde immuunrespons op basisimmunisatie.

9C.3 Bijwerkingen en het onderschatte risico van overvaccinatie

Vaccinatieschade is een onderwerp dat in de veterinaire wereld met voorzichtigheid wordt benaderd, mede omdat causale verbanden moeilijk aan te tonen zijn in een klinische setting. Toch is de literatuur niet leeg. Een retrospectieve studie vond dat 26% van de onderzochte honden met immuungemedieerde hemolytische anemie (IMHA) de ziekte ontwikkelde binnen één maand na ontvangst van één of meer kernvaccins.[26]

Specifieke rassen worden in de literatuur geassocieerd met verhoogd risico op vaccinatiereacties: Weimaraners (hypertrofische osteodystrofie na MLV-distemper vaccin), Akita’s en Old English Sheepdogs (verhoogde incidentie van immuungemedieerde aandoeningen). Bij fokkers van deze rassen is extra voorzichtigheid geboden en is titercontrole vóór herhalingsvaccinatie nog sterker geïndiceerd.

De bredere klinische observatie is dat honden die chronische immuungemedieerde, allergische of auto-immune klachten ontwikkelen na een vaccinatiemoment, verdienen een zorgvuldige evaluatie van het vaccinatiebeleid. Dit is geen pleidooi voor non-vaccinatie. Het is een pleidooi voor rationeel, risico-beperkt vaccinatiebeleid in lijn met de WSAVA-richtlijnen, waarbij elk dier wordt gevaccineerd maar niet automatisch herhaald zonder beoordeling van de immuunstatus.

Aanbeveling voor de praktijk: vaccinatieprotocol fokkers
Moment Aanbeveling Onderbouwing
Moederdier voor dracht Titercontrole; vaccineer alleen bij onvoldoende titer Hoge maternale titer geeft betere MDA-overdracht via colostrum
Pups week 6 Titercontrole. Niet vaccineren als standaard; overweeg alleen bij hoog-risico epidemiologische omgeving MDA-interferentie maakt vaccinatie op 6 weken bij de meeste pups ineffectief
Pups week 9–12 Titercontrole. Alleen vaccineren bij onvoldoende titer met kernvaccinatie (CDV, CPV-2, CAV-2). WSAVA 2024: betere respons naarmate immuunsysteem rijper is
Pups week 14–16 Titercontrole. Alleen vaccineren bij onvoldoende titer met kernvaccinatie (CDV, CPV-2, CAV-2). Meestal is vaccinatie nu nodig. Sluit window of susceptibility; bouwt solide basisimmuniteit
Volwassen hond (herhaling) Titercontrole na 1 jaar; herhaal alleen bij onvoldoende titer WSAVA 2024, Janowitz et al. 2025: bescherming houdt doorgaans jaren aan
9 — Rol van de Dierenarts

Rol van de begeleidende dierenarts: monitoring, advies en gesprek

9.1 De dierenarts als fokkerscoach

De begeleidende dierenarts van een fokker heeft een unieke positie: hij of zij is het enige professionele aanspreekpunt dat zowel de ouderdieren als de nakomelingen over tijd volgt. Die longitudinale positie maakt het mogelijk om patronen te herkennen die bij incidentele consulten onzichtbaar blijven: terugkerende klachten in achtereenvolgende nesten, een moederhond met chronisch suboptimale darmgezondheid, een reu waarvan meerdere nakomelingen dezelfde gedragsproblematiek vertonen.

Die patroonherkenning is alleen mogelijk als de dierenarts de juiste vragen stelt. De meeste fokkersconsulten zijn reactief: een ziek dier wordt behandeld. Preventieve consulten waarbij de voedingsstatus van de moederdieren, de socialisatiepraktijk van het fokbedrijf en de infectiehistorie van de reu systematisch worden besproken, zijn in de gangbare praktijk de uitzondering.

9.2 Aanbevolen monitoring

  • Pre-fokonderzoek moederdier: fecespanel inclusief dysbiose-index en Giardia PCR, voedingsanamnese 12 maanden, temperamentsbeoordeling (CBARQ of vergelijkbaar), BCS en spiermassascore.
  • Pre-fokonderzoek reu: fecespanel inclusief parasitologie, spermaonderzoek indien beschikbaar, temperamentsevaluatie, infectiehistorie (met name gastro-intestinaal).
  • Monitoring tijdens de dracht: BCS op week 4 en week 7, bespreking voedingsstatus en stressbelasting, controle op tekenen van chronische laaggradige ontsteking.
  • Neonatale consultatie (week 3–4): beoordeling van vroege socialisatiepraktijk, voedingsadvies voor speenperiode, identificatie van pups met afwijkende groeipatronen of vroege gedragssignalen.
  • Puppy-consult bij nieuwe eigenaar (week 12–14): anamnese van het fokbedrijf meenemen, voedingsadvies afstemmen op fokkersachtergrond, microbioomondersteuning bespreken bij hoog-risico-pups (generaties brokvoer, sectio-geboorte, post-infectieus nest).

9.3 Het gesprek met de fokker

Het voeren van dit gesprek vraagt om tact. Fokkers zijn doorgaans diepgemotiveerde mensen die het beste willen voor hun dieren. De boodschap dat generaties voedingskeuzes en fokpraktijken hebben bijgedragen aan de gezondheidsproblemen van hun pups is beladen, zeker als die keuzes zijn gemaakt op basis van advies van dierenartsen of voermerken.

Een productieve benadering richt zich op wat nu beter kan, niet op wat vroeger fout ging. De fokker die vandaag overschakelt op betere voeding voor zijn moederdieren, die systematischer socialiseerd, die de reu beter screent, die de dierenarts eerder betrekt in het fokproces: die fokker geeft de volgende generatie een substantieel betere start. Dat is het verhaal dat het gesprek draagbaar maakt.

De rol van de voedingsindustrie

Het is moeilijk dit artikel af te sluiten zonder de structurele rol van de voedingsindustrie in dit geheel te benoemen. Grote voermerken financieren niet alleen fokkersprogramma’s via gratis puppypakketten en beloningssystemen, maar ook een substantieel deel van het veterinaire voedingsonderwijs en de onderzoeksfinanciering. Dit is een structureel belangenconflict dat de informatiestromen in de fokkerij en de veterinaire wereld heeft gevormd. Het herkennen van dat conflict is een voorwaarde voor het kunnen geven van onafhankelijk advies.

Conclusie

De fokker is de eerste en meest bepalende professional van elk dier dat hij fokt. De beslissingen die worden genomen over voeding, ouderdierenselectie, infectiemanagement en socialisatie leggen een fysiologisch en neurologisch fundament dat de volledige latere gezondheidstrajectorie van het dier beïnvloedt.

De wetenschap is duidelijk over de mechanismen: maternale voeding bepaalt microbioomoverdracht, microbioomkwaliteit bepaalt immuunsysteemontwikkeling en darmbarrièreintegriteit, epigenetische stressoverdracht bepaalt constitutionele angstgevoeligheid, en de socialisatieperiode biedt een neuronaal venster dat na sluiting niet meer in dezelfde mate opengaat.

Het vertalen van die wetenschap naar de fokker is de gezamenlijke verantwoordelijkheid van fokkers en begeleidende dierenartsen. Dit artikel wil een bijdrage zijn aan die vertaling.

Voor consumentengerichte informatie over dit onderwerp, microbioomondersteuning en het darmprotocol voor pups: zie NGD Care.

Literatuur

  1. Moran CP, Shanahan F. (2014). Gut microbiota and obesity: role in aetiology and potential therapeutic target. Best Pract Res Clin Gastroenterol. 28(4):585–97.
  2. Fitzstevens JL, et al. (2017). Systematic review of the human milk microbiota. Nutr Clin Pract. 32(3):354–364. doi:10.1177/0884533616670150
  3. Fernández L, et al. (2013). The human milk microbiota: origin and potential roles in health and disease. Pharmacol Res. 69(1):1–10. doi:10.1016/j.phrs.2012.09.001
  4. Schmidt M, et al. (2017). Differences in the gut microbiota of dogs fed a natural diet or a commercial feed. Gut Pathog. 9:68. PMC5697093
  5. Suchodolski JS. (2021). Diagnosis and interpretation of intestinal dysbiosis in dogs and cats. Vet J. 277:105743. doi:10.1016/j.tvjl.2021.105743
  6. Pistone D, et al. (2022). Gut microbiota development in the growing dog. Front Vet Sci. 9:964649. doi:10.3389/fvets.2022.964649
  7. Kovács T, et al. (2025). Longitudinal long-read microbiome profiling in a canine model. mSystems. doi:10.1128/msystems.01279-25
  8. Olszak T, et al. (2012). Microbial exposure during early life and susceptibility to inflammatory bowel disease. Science. 336(6080):489–93. doi:10.1126/science.1220961
  9. Peng L, et al. (2009). Butyrate enhances the intestinal barrier by facilitating tight junction assembly via activation of AMP-activated protein kinase in Caco-2 cell monolayers. J Nutr. 139(9):1619–25. doi:10.3945/jn.109.104638
  10. Ji Y, et al. (2023). Programming of metabolic and autoimmune diseases in canine and feline. Microb Pathog. doi:10.1016/j.micpath.2023.106436
  11. Deng P, Swanson KS. (2015). Gut microbiota of humans, dogs and cats: current knowledge and future opportunities and challenges. Br J Nutr. 113(S1):S6–17. doi:10.1017/S0007114514002943
  12. Sonnenburg ED, et al. (2016). Diet-induced alterations in gut microflora contribute to lethal pulmonary damage in TLR2/TLR4-deficient mice. Nature. 529(7585):212–215. doi:10.1038/nature16549
  13. Gapp K, et al. (2014). Implication of sperm RNAs in transgenerational inheritance of the effects of early trauma in mice. Nat Neurosci. 17(5):667–9. doi:10.1038/nn.3695
  14. Hales CN, Barker DJ. (2001). The thrifty phenotype hypothesis. Br Med Bull. 60:5–20. doi:10.1093/bmb/60.1.5
  15. Bindels LB, et al. (2015). Towards a more comprehensive concept for prebiotics. Nat Rev Gastroenterol Hepatol. 12(5):303–10. doi:10.1038/nrgastro.2015.47
  16. Hadley KB, et al. (2016). The essentiality of arachidonic acid and docosahexaenoic acid. Prostaglandins Leukot Essent Fatty Acids. 116:98–106. doi:10.1016/j.plefa.2016.07.004
  17. Scott JP, Fuller JL. (1965). Genetics and the Social Behavior of the Dog. University of Chicago Press.
  18. Tiira K, Lohi H. (2015). Early life experiences and exercise associate with canine anxieties. PLoS ONE. 10(11):e0141907. doi:10.1371/journal.pone.0141907
  19. Rostaher A, et al. (2022). Comparison of the gut microbiome between atopic and healthy dogs. Animals. 12(18):2377. doi:10.3390/ani12182377
  20. Ji Y, et al. (2023). Programming of metabolic and autoimmune diseases in canine and feline. Microb Pathog. doi:10.1016/j.micpath.2023.106436
  21. Aluai-Cunha E, et al. (2023). The animal’s microbiome and cancer: a translational perspective. Vet Comp Oncol. doi:10.1111/vco.12892
  22. Fries CL, Remedios AM. (1995). The pathogenesis and diagnosis of canine hip dysplasia: a review. Can Vet J. 36(8):494–502.
  23. WSAVA Vaccination Guidelines Group. (2024). Guidelines for the Vaccination of Dogs and Cats. wsava.org/wp-content/uploads/2024/04/WSAVA-Vaccination-guidelines-2024.pdf
  24. Cosso G, et al. (2025). The puppies’ age at adoption time influences the behavioral responses of adult dog. Animals. PMC11860672.
  25. Deldalle S, Gaunet F. (2021). Investigation into the impact of pre-adolescent training on canine behavior. Animals. PMC8147152.
  26. Pfaffenberger GC, Scott JP. (1959). The relationship between delayed socialization and trainability in guide dogs. J Genet Psychol. 95:145–155.
  27. Janowitz L, et al. (2025). Antibody titer testing in dogs: evaluation of three point-of-care tests for canine core vaccine antigens. Vet Sci. 12(8):737. doi:10.3390/vetsci12080737
  28. Duval DL, Giger U. (1996). Vaccine-associated immune-mediated hemolytic anemia in the dog. J Vet Intern Med. 10(5):290–5. doi:10.1111/j.1939-1676.1996.tb02057.x
  29. [R1] Kintekdetection.com (2026). Can brucellosis be spread through shipped semen? Geraadpleegd juni 2025.
  30. [R2] Transboundary Emerg Dis (2021). Transboundary spread of Brucella canis through import of dogs. doi:10.3201/eid2707.201238
  31. [R3] Boggio Moiso F, et al. (2008). Venereal transmission of canine visceral leishmaniasis. Vet Parasitol. doi:10.1016/j.vetpar.2008.08.009
  32. [R4] Boggiatto PM, et al. (2011). Transplacental transmission of Leishmania infantum as a means for continued disease incidence in North America. PLoS Negl Trop Dis. PMC3075227
  33. [R5] Costa TA, et al. (2016). Vertical transmission of Anaplasma platys and Leishmania infantum in dogs during the first half of gestation. Parasit Vectors. PMC4862140
  34. [R6] Latrofa MS, et al. (2016). Neonatal Anaplasma platys infection in puppies: further evidence for possible vertical transmission. Vet Parasitol. doi:10.1016/j.vetpar.2016.10.015
  35. [R7] Faggion SA, et al. (2026). Vertical transmission of tick-borne and hemotropic pathogens in pregnant dogs: first report involving Babesia vogeli and Candidatus Mycoplasma haematoparvum. Acta Tropica. doi:10.1016/j.actatropica.2026.000628
  36. [R8] Silva AS, et al. (2025). First molecular evidence of vertical transmission of Ehrlichia canis in naturally infected female dogs in Brazil. Vet Microbiol. doi:10.1016/j.vetmic.2025.003098
  37. [R9] Gustafson JM, et al. (1993). Intrauterine transmission of Borrelia burgdorferi in dogs. Am J Vet Res. PMID:8323057
  38. [R10] Frontiers in Medicine (2026). Perinatal transmission of Borrelia burgdorferi: advancing scientific and clinical understanding of Lyme disease in pregnancy. doi:10.3389/fmed.2026.1794120
  39. [R11] Kaya S, et al. (2024). Cellular pathophysiology of Leptospira interrogans infection in canine testicular tissue: role of the TLR4/NF-kB/JNK pathway. Comp Immunol Microbiol Infect Dis. doi:10.1016/j.cimid.2024.003268
  40. [R12] AVMA (2024). Leptospirosis in dogs. avma.org/resources-tools/pet-owners/petcare/leptospirosis
  41. [R13] Ludwig A, et al. (2022). Bartonellosis in dogs and cats, an update. Vet Clin North Am Small Anim Pract. doi:10.1016/j.cvsm.2022.07.002
  42. [R14] Breitschwerdt EB, et al. (2019). Bartonella bacteria found in hemangiosarcoma tumors from dogs. NC State College of Veterinary Medicine. news.cvm.ncsu.edu
  43. [R15] Tołkacz K, et al. (2018). Bartonella infections in three species of Microtus: prevalence and genetic diversity, vertical transmission and effect of concurrent Babesia microti infection. Parasit Vectors. PMC6117881
  44. [R16] Global Lyme Alliance (2022). Bartonella: the stealth pathogen. globallymealliance.org

Stefan Veenstra DVM | Integratieve veterinaire geneeskunde | stefanveenstra.nl | Dit artikel heeft een wetenschappelijk-educatief karakter en is bedoeld voor dierenartsen en professionele fokkers. Het vervangt geen individueel veterinair advies.

 

Deze pagina delen op